ECLI:NL:GHAMS:2023:2529

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
25 oktober 2023
Zaaknummer
000300-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in strafzaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 25 oktober 2023 uitspraak gedaan op een verzoekschrift van verzoeker, geboren in 1960, met betrekking tot de vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak. Het verzoekschrift is op 19 april 2022 ingediend en betreft kosten die zijn gemaakt in verband met rechtsbijstand en reiskosten in de strafzaak met parketnummer 23-001567-19. De advocaat-generaal heeft op 29 november 2022 zijn standpunt kenbaar gemaakt en het hof heeft op 13 september 2023 de betrokken partijen gehoord.

Het verzoek omvat een totale vergoeding van € 1.659.756,54 voor rechtsbijstand, € 709,36 voor reiskosten en € 560,00 voor kosten in de verzoekschriftprocedure. De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vergoeding voor rechtsbijstand met 50% te matigen, omdat er veel uren door de hoofdadvocaat zijn gedeclareerd en relatief weinig werk is uitbesteed aan andere advocaten. De verdediging heeft echter betoogd dat de kosten redelijk zijn en marktconform, en dat de matiging de verdediging zou belemmeren.

Het hof heeft de gespecificeerde declaraties beoordeeld en geen aanleiding gevonden om het toe te wijzen bedrag te matigen. Het hof oordeelt dat de kosten voor rechtsbijstand, gezien de duur en complexiteit van de procedure, niet bovenmatig zijn. Het hof kent verzoeker een totale vergoeding toe van € 1.661.145,90, inclusief de kosten voor rechtsbijstand en reiskosten. De beschikking is ondertekend door de voorzitter en griffier en is uitgesproken tijdens de openbare zitting.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000300-22 (530 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-001567-19
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. [advocaat 1],
[adres].

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 19 april 2022 ingekomen.
Op 29 november 2022 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 september 2023 de advocaat-generaal, verzoeker en de advocaten van verzoeker, mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2], ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.659.756,54;
reiskosten gemaakt ten behoeve van het onderzoek en het bijwonen van de behandeling van de strafzaak ten bedrage van € 709,36;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 560,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 20 januari 2022 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit arrest is onherroepelijk geworden.
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding. Ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak adviseert de advocaat-generaal het toe te kennen bedrag te matigen met 50%. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat veel uren zijn gedeclareerd door mr. [advocaat 1] zelf en relatief weinig werk is uitbesteed aan diens collega-advocaten met een lager uurtarief. Volgens de advocaat-generaal wijkt die werkwijze af van de in de commerciële advocatuur gebruikelijke werkwijze. Verder bestond het pleidooi in hoger beroep voor een substantieel deel uit ontvankelijkheidsverweren die door het hof zijn gepasseerd. Ten derde is aangevoerd dat door de andere gewezen verdachte in deze zaak eveneens een verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand is gevraagd en dat de verzochte vergoeding door de andere gewezen verdachte aanmerkelijk lager is (verhouding 1 staat tot 2,5).
De advocaten van verzoeker hebben het verzoek toegelicht. Volgens verzoeker zijn de kosten gedurende de bij acht jaren vervolging, vanaf april 2014 tot en met december 2022, gemaakt en zijn ze redelijk. De uurtarieven van de betrokken advocaten varieerden, per advocaat en in de tijd vanaf april 2014, van € 245 tot € 750 en zijn marktconform. Het matigen van de toe te kennen vergoeding om de reden dat alle ontvankelijkheidsverweren zijn verworpen, zou de verdediging ernstig belemmeren. De verzochte vergoeding is daarnaast niet uit verhouding met het verzoek van de andere gewezen verdachte. De verwijten jegens verzoeker waren ernstiger en verzoeker had een andere procespositie. Mr. [advocaat 1] heeft erop gewezen dat hij gewoon is de rechtsbijstand aan zijn cliënten in beginsel zelf te verlenen en dat verzoeker en hij ook in deze zaak niet hebben afgesproken dat het werk zo veel mogelijk door (junior-)medewerkers met een lager uurtarief wordt verricht.
Het hof overweegt als volgt.
Wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding is de rechter niet gebonden aan de door de raadslieden opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in de jurisprudentie gebezigde formulering dat dergelijke declaraties niet meer zijn dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan – in matigende zin – af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Tegelijkertijd dient de schadevergoedingsrechter, gezien het recht op vrije advocatenkeuze, terughoudend te zijn bij de toetsing van tussen de cliënt en de raadslieden gemaakte afspraken. Een en ander heeft tot een min of meer bestendige lijn in de jurisprudentie van de gerechtshoven geleid, die erop neer komt dat van de declaraties van de betrokken rechtsbijstandverleners kan worden afgeweken indien deze, bij voorbeeld wat betreft het aantal ingeschakelde rechtsbijstandverleners, de hoeveelheid in rekening gebrachte uren of de gehanteerde uurtarieven, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, ‘in het oog springend bovenmatig’ zijn (gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010: BL8539; gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2466).
Het hof heeft de gespecificeerde declaraties tegen de bovenstaande maatstaven beoordeeld en hierin geen aanleiding gevonden het toe te wijzen bedrag te matigen.
Dat veel verweren zijn gevoerd die door het hof zijn verworpen, kan volgens het hof alleen in bijzondere gevallen aanleiding zijn een verzoek tot kostenvergoeding voor rechtsbijstand te matigen. Te denken valt aan het voeren van verweren waarvan het de raadsman op voorhand duidelijk moet zijn dat deze geen kans van slagen hebben. Dat kan in de onderhavige procedure, gelet op de omstandigheden van het geval, niet (zonder meer) worden aangenomen.
Het hof ziet in een zaak als deze geen aanleiding voor matiging in het feit dat door de raadsman van een andere verdachte in het onderzoek tegen lagere kosten rechtsbijstand is verleend. Te veel variabelen zoals de zwaarte van het door het Openbaar Ministerie gemaakte verwijt, de persoon van de verdachte, de gekozen verdedigingslijn en ook de eigen opvatting van de advocaat over een goede rechtsbijstandverlening, maken dat de kosten voor rechtsbijstand uiteen kunnen lopen.
De kosten voor rechtsbijstand zijn fors. Gelet op de duur van de strafrechtelijke procedure en de omvang, de context en de complexiteit van de zaak, zijn ze niet bovenmatig of anderszins onredelijk.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten voor
rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 1.659.756,54.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van reiskosten gemaakt ten behoeve van het onderzoek en het bijwonen van de behandeling van de strafzaak tot een bedrag van € 709,36.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof :
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 1.661.145,90 (één miljoen zeshonderdeenenzestig duizend honderdvijfenveertig euro en negentig cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, A.P.M. van Rijn en P. Greve,
in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 25 oktober 2023.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.661.145,90 (één miljoen zeshonderdeenenzestig duizend honderdvijfenveertig euro en negentig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. derdengeldenrekening [tnv] o.v.v. [verzoeker].
Amsterdam, 25 oktober 2023,
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.