ECLI:NL:GHAMS:2023:2629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
6 november 2023
Zaaknummer
200.329.134/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 700 RvArt. 81 lid 1 ROArt. 26 overeenkomstArtikel 13a Wet Algemene BepalingenArtikel 18 VN-Verdrag
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering conservatoir derdenbeslag tegen buitenlandse staat wegens onvoldoende bewijs waiver immuniteit

Deze zaak betreft een verzoek van GPGC Limited om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van de Government of the Republic of Ghana (GoG) op basis van een arbitraal vonnis. GPGC stelt dat GoG afstand heeft gedaan van haar immuniteit van executie, behalve voor bepaalde uitzonderingen genoemd in de overeenkomst (de waiver). De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot beslaglegging geweigerd omdat GPGC onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beslagobjecten onder de reikwijdte van de waiver vallen.

In hoger beroep heeft het hof deze weigering bekrachtigd. Het hof overwoog dat de bewijslast en stelplicht omtrent de vatbaarheid van de goederen voor beslag bij GPGC rusten, ook als GoG niet verschijnt. Hoewel GoG afstand heeft gedaan van immuniteit voor executie, geldt dit niet voor de in de overeenkomst genoemde uitzonderingen, waaronder defensiegerelateerde en diplomatieke activa. GPGC heeft onvoldoende toegelicht dat de beslagobjecten niet onder deze uitzonderingen vallen.

Het hof verwees naar het internationale recht en jurisprudentie over immuniteit van staten, waaronder het VN-Verdrag inzake jurisdictie-immuniteiten van staten, en bevestigde dat staatseigendommen met een publieke bestemming niet vatbaar zijn voor gedwongen executie. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs dat de beslagobjecten niet onder de uitzonderingen vallen, is het beslagverzoek terecht geweigerd. De grieven van GPGC falen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering van conservatoir derdenbeslag wegens onvoldoende bewijs dat de beslagobjecten onder de waiver van immuniteit vallen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.329.134/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/731102 / KG RK 23-505
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2023
inzake
GPGC LIMITED,
gevestigd te Accra, Ghana,
appellante,
advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,
tegen
THE GOVERNMENT OF THE REPUBLIC OF GHANA,
zetelend te Accra, Ghana,
geïntimeerde,
niet opgeroepen.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna GPGC en GoG genoemd.
GPGC is bij beroepschrift van 29 juni 2023, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 29 maart 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gegeven tussen GPGC als verzoekster en GoG als verweerster (hierna: de bestreden beschikking).
GoG is niet opgeroepen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2023. GPGC heeft de zaak doen toelichten door mr. R.M. Kool, advocaat te Rotterdam en mr. R. [naam 1] , advocaat te Rotterdam, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
Ten slotte is beschikking gevraagd.
GPGC heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – verlof zal verlenen aan GPGC om conservatoir derdenbeslag te leggen onder TEN Ghana en/of ABN AMRO bank en/of Rabobank en/of ING Bank en/of JP Morgan en/of UBS en/of MUFG, alsmede verlof zal verlenen tot het drie keer leggen van het derdenbeslag onder voormelde banken gedurende een periode van dertig dagen na het eerst gelegde beslag en de vordering van GPGC zal begroten op maximaal USD 137.984.120,=.
2. Feiten
De voorzieningenrechter heeft in de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1
GPGC en GoG hebben op 3 juni 2015 een overeenkomst gesloten ten behoeve van de verplaatsing van twee elektriciteitscentrales van Italië naar Ghana en de installatie, exploitatie en het onderhoud daarvan (hierna: de overeenkomst).
2.2
Artikel 26 van Pro de overeenkomst luidt:
‘WAIVER OF IMMUNITY
To the extent that the GoG may, in any jurisdiction, claim for itself or its assets immunity from suit, execution (whether in aid of execution, before judgment or otherwise) or other legal process, the GoG agrees not to claim, and hereby waives, such immunity to the fullest extent permitted by the laws of that jurisdiction, intending in particular, but without limiting the generality of the foregoing, that this waiver shall apply in any proceedings occurring in the Republic of Ghana.
The above waiver shall not apply to GoG’s (i) defence-related aircraft, (ii) defence-related naval vessels, (iii) other defence-related assets, (iv) diplomatic assets or consular assets or (v) assets that cannot be used as collateral under the Petroleum Revenue Management Act, 2011 (Act 815) of the Republic of Ghana (the “Protected Assets”).’
2.3
Over de overeenkomst is tussen partijen een geschil ontstaan dat heeft geleid tot een arbitraal vonnis onder de
Arbitration Rules of the United Nations Commission on International Trade Law. Het scheidsgerecht heeft bij arbitraal vonnis van 26 januari 2021 GoG veroordeeld om een bedrag van USD 134.348.661,= te voldoen aan GPGC, te vermeerderen met rente en kosten. GoG heeft GPGC gedeeltelijk betaald.
2.4
GPGC stelt thans nog een vordering van USD137.984.120,= op GoG uit hoofde van het arbitraal vonnis (de resterende hoofdsom met rente en kosten) te hebben en wenst daarvoor ten laste van GoG conservatoir (derden)beslag te leggen.

3.Beoordeling

3.1
In eerste aanleg heeft GPGC een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van GoG ingediend. De voorzieningenrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat het vorderingsrecht van GPGC voorshands summierlijk deugdelijk is, maar dat het de vraag is of de gevraagde beslaglegging verenigbaar is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse staat. De voorzieningenrechter heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2236) vastgesteld dat staatseigendommen met een publieke bestemming niet vatbaar zijn voor gedwongen executie. De schuldeiser die beslag legt of wil leggen zal moeten stellen en aannemelijk maken dat en in hoeverre de gelden en tegoeden waarop beslag gelegd zal worden ook vatbaar zijn voor beslag en executie. GPGC heeft onder verwijzing naar artikel 26 van Pro de overeenkomst (zie onder 2.2) (summierlijk) aannemelijk gemaakt dat GoG (op voorhand) afstand heeft gedaan van de mogelijkheid een beroep te doen op immuniteit in elk rechtsgebied. Daarbij heeft GoG wel een uitzondering gemaakt voor de in het artikel onder b genoemde beslagobjecten. Duidelijk is dat de in het beslagverzoek genoemde beslagobjecten geen
defence-related aircraftsof
defence-related naval vesselszijn. Dat de beslagobjecten niet vallen onder de overige categorieën kan echter niet zonder meer worden aangenomen. Desgevraagd heeft GPGC daarover niet meer aangevoerd dan dat de beslagobjecten niet onder de uitzonderingen van artikel 26 van Pro de overeenkomst vallen en ook niet vaststaat dat ze voor publieke doeleinden bestemd zijn. Dat is volgens de voorzieningenrechter onvoldoende, zeker nu GPGC niet heeft toegelicht of, en zo ja welke vermogensbestanddelen van GoG zich in Nederland bevinden. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof geweigerd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt GPGC met haar grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
Het hof stelt tot goed begrip voorop dat artikel 13a van de Wet Algemene Bepalingen bepaalt dat de uitvoerbaarheid van rechterlijke uitspraken wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Voor zover hierin niet is voorzien in een verdrag, zoals in de verhouding tussen GoG en Nederland, gaat het daarbij om ongeschreven internationaal publiekrecht. Naar de thans in Nederland als ongeschreven internationaal publiekrecht geldende regels genieten vreemde staten immuniteit van executie, maar is deze niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming zijn echter in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie (vgl. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387 ( [naam 2] /JCR en Staat), en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45 ( [naam 1] /Staat). In het arrest [naam 1] /Staat is overwogen dat het hiervoor vermelde oordeel steun vindt in de op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, maar door Nederland niet geratificeerde en nog niet in werking getreden
Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property(hierna: VN-Verdrag) en dat dit verdrag een codificatie behelst van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen. Niet alle bepalingen van het VN-Verdrag kunnen evenwel als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt.
3.3
De immuniteit van staten is geregeld in de artikelen 18 en 19 van het VN-Verdrag. Artikel 19 sluit Pro executiemaatregelen tegen eigendommen van een vreemde staat uit, tenzij en voor zover (onderdeel a) de staat op de daar vermelde wijze uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, (onderdeel b) de staat eigendommen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de desbetreffende vordering, of (onderdeel c) vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het forum (met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte). Artikel 18 VN Pro-Verdrag maakt conservatoire maatregelen in de hiervoor genoemde, in artikel 19 onderdelen Pro a en b VN-Verdrag vermelde gevallen van instemming door de vreemde staat mogelijk. De hiervoor genoemde, in artikel 19 onderdeel Pro c VN-Verdrag vermelde uitzondering ontbreekt evenwel in artikel 18 VN Pro-Verdrag. Artikel 18 VN Pro-Verdrag kan, nu daarin de in artikel 19 onderdeel Pro c VN-Verdrag vermelde uitzondering ontbreekt, in zoverre niet als vastlegging van internationaal gewoonterecht worden aangemerkt. Niettemin wordt in veel staten - en zo ook in Nederland - het treffen van conservatoire maatregelen tegen een vreemde staat in de in artikel 19 onderdeel Pro c bedoelde situatie toelaatbaar geacht.
3.4
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat en dat, ook indien de vreemde staat in rechte verstek laat gaan, steeds vastgesteld moet worden dat de desbetreffende goederen vatbaar zijn voor beslag (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236 (Morning Star/Gabon). GPGC zal derhalve moeten stellen en aannemelijk maken dat en in hoeverre goederen en gelden van GoG vatbaar zijn voor beslag.
3.5
In deze zaak doet zich de situatie van artikel 18 onderdeel Pro a VN-Verdrag voor, nu GoG op grond van artikel 26 onderdeel Pro a van de overeenkomst uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van conservatoire maatregelen door afstand te doen van de mogelijkheid een beroep te doen op immuniteit. Artikel 26 onderdeel Pro b van de overeenkomst bepaalt evenwel dat GoG geen afstand doet van de mogelijkheid een beroep te doen op immuniteit daar waar het betreft: (i)
defence-related aircraft,(ii)
defence-related naval vessels,(iii)
other defence-related assets,(iv)
diplomatic assets or consular assets or(v)
assets that cannot be used as collateral under the Petroleum Revenue Management Act, 2011 (Act 815) of the Republic of Ghana. Niet ter discussie staat dat de door GPGC genoemde beslagobjecten niet vallen onder de categorieën (i) en (ii), maar met betrekking tot de overige rubrieken heeft GPGC niet meer aangevoerd dan dat de beslagobjecten
prima facieniet onder de uitzonderingen van artikel 26 onderdeel Pro b van de overeenkomst vallen. Dit is evenwel, gelet op de onder 3.4 opgenomen stelplicht (en bewijslast) onvoldoende. Onjuist is het betoog van GPGC dat het, gegeven het bestaan van de waiver (artikel 26 onderdeel Pro a), aan GoG is te stellen en zo nodig te bewijzen dat een van de in de waiver genoemde uitzonderingen (artikel 26 onderdeel Pro b) zich voordoet. Immers, in beginsel is er immuniteit. Van die immuniteit heeft GoG met artikel 26 onderdeel Pro a afstand gedaan
behalveten aanzien van – voor zover thans van belang – de in artikel 26 onderdeel Pro b sub (iii) tot en met (v) genoemde categorieën. Ten aanzien van die categorieën rust daarom de stelplicht en de bewijslast krachtens voormelde hoofregel (gewoon) op GPGC. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht het verzochte beslagverlof geweigerd.
3.6
De grieven falen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M. Smit, A.S. Arnold en I.A. Haanappel- van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.