Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
Opgaven door [ [X] ]
grief 1 in principaal appelfaalt.
door [X] te realiseren(ver)nieuwbouw/herbouw in de onroerende zaak waarop het appartementsrecht toeziet” [curs. hof]. Voorts heeft [geïntimeerde] gesteld dat [X] in de onroerende zaak voorheen een horecaonderneming dreef, dat “uit de koopovereenkomst blijkt dat het gaat om de herontwikkeling van de bestaande bebouwing” en dat van de door partijen gemaakte afspraken “een technische omschrijving (bestek)” deel uitmaakt die partijen tien dagen vóór het ondertekenen van de koopovereenkomst hebben ondertekend (zie incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid onder 3 en 4). Het hof constateert dat dit karakter van de koopovereenkomst in hoofdzaak ook nadrukkelijk uit onder meer artikel 1 lid 3 van Pro de koopovereenkomst blijkt.
opdrachtgeveren
aannemerdie door middel van arbitrage moeten worden beslecht. [geïntimeerde] is echter noch het een, noch het ander, zodat die clausule niet van toepassing is tussen partijen. Het bestek, dat deel uitmaakt van de koopovereenkomst, was niet meer dan – zoals [geïntimeerde] zelf heeft verwoord – een technische omschrijving van de werkzaamheden die [X] nog door de aannemer aan het appartement moest laten verrichten. [geïntimeerde] stond hier, als (enkel) koper van het appartementsrecht, geheel buiten. Een verdere aanwijzing voor deze uitleg vormt de afzonderlijk tussen partijen – en dus niet tussen [geïntimeerde] en een aannemer – op de dag van levering van het appartementsrecht gesloten depotovereenkomst, die de basis vormt voor de vordering van [X] .
grief 2 in principaal appelen
grief 3 in principaal appelslagen.
grief 1 in incidenteel appelongegrond is.
grief 4 in principaal appelslaagt.