Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
Grief 1houdt in dat de kantonrechter de feiten onvolledig heeft weergegeven. Deze grief faalt, omdat het de kantonrechter vrij stond alleen die feiten te vermelden die dragend zijn voor de motivering van de beslissing. Met de door Parteon gestelde overige feiten, voor zover relevant en vaststaand, zal het hof bij de verdere beoordeling rekening houden. Dit laatste geldt overigens ook voor de nadrukkelijk door de bewindvoerder aanvullend aangevoerde feiten. De juistheid van de door de kantonrechter opgesomde feiten is op zichzelf niet in geschil. Zij dienen dus ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen onomstreden zijn, komen de feiten neer op het volgende.
4.De beoordeling
- ontruiming van de woning op straffe van een dwangsom;
zero tolerancebeleid dat Parteon kennelijk in dit verband voert, verliest aan effectiviteit, indien eerst een langdurige bodemprocedure dient te worden doorlopen. Ook hierin is daarom een spoedeisend belang van Parteon bij toewijzing van de door haar gevraagde voorziening gelegen. Ook bij toewijzing van het gevorderde voorschot op de contractuele boete heeft Parteon een spoedeisend belang. Dit wordt hieronder bij de behandeling van deze laatste vordering nader toegelicht.
Grief 4betreft deze vordering. De bewindvoerder heeft tegen toewijzing van de contractuele boete aangevoerd dat de boete zijn doel voorbijstreeft, aangezien [geïntimeerde] geen geld heeft en de boete zich ook niet leent voor toewijzing in kort geding, er mogelijk een restitutierisico is en de boete buitensporig hoog is.
zero tolerancebeleid daadwerkelijk uitoefent. Betalingsonmacht van [geïntimeerde] vormt, voor zover ook daarbuiten aangevoerd, geen afwijzingsgrond. Gesteld noch gebleken zijn feiten of omstandigheden op grond waarvan rekening zou dienen te worden gehouden met een risico dat Parteon, een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Woningwet, niet in staat zou zijn de boete te restitueren, mocht daartoe in een bodemprocedure worden beslist. Gelet op de in dit kort geding aangenomen overtreding van het verbod waaraan het boetebeding is verbonden zijn het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk. Een afweging van de door partijen overigens aangevoerde belangen maakt het voorgaande niet anders. De boete zal dan ook worden toegewezen als gevorderd, vermeerderd met de onweersproken rente. De grief slaagt.
grieven 5 en 6.