Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Op de zitting heeft [appellant] , daarnaar gevraagd, uiteengezet dat er in of rond 2015 door een erkende instelling een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het stralingsniveau van de röntgenkamer, dat daarbij geen overschrijding van toegestane waarden is aangetroffen en dat de röntgenkamer veilig is bevonden.
Nu de huurovereenkomst niet is geëindigd op 31 mei 2017 door de buitengerechtelijke ontbinding door [appellant], en er geen sprake is van gebreken, duurt de huurovereenkomst na die datum voort en moet [appellant] huur betalen. De verplichting tot betaling van de reguliere huur duurt voort tot 31 juli 2017, de datum waarop HSV de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden.
Gelet op het voorgaande is [appellant] in het verstekvonnis ook terecht veroordeeld tot betaling van € 3.031,96 per maand vanaf 1 november 2017, te weten schade wegens voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, en tot vergoeding van daadwerkelijk geleden schade over de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020, nader op te maken bij staat. Indien de huur niet voortijdig was beëindigd vanwege de tekortkoming door [appellant], had de huur immers voortgeduurd tot en met 31 maart 2020.