ECLI:NL:GHAMS:2023:425
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Grootmoeder vaderszijde niet-ontvankelijk in verzoek omgang minderjarige
De grootmoeder vaderszijde kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die haar verzoeken om een omgangsregeling met de minderjarige en een deskundigenonderzoek had afgewezen. De minderjarige woont sinds kort na de geboorte bij een pleegmoeder en is meervoudig gehandicapt.
De grootmoeder stelde dat zij als belanghebbende moest worden aangemerkt en recht had op omgang, mede op grond van artikel 8 EVRM Pro. De voogd en het hof stelden echter dat de grootmoeder geen nauwe persoonlijke betrekking met de minderjarige had, omdat zij geen deel had in de dagelijkse verzorging en opvoeding en het contact beperkt en begeleid was.
Het hof overwoog dat het enkele bestaan van een biologische band onvoldoende is voor een zelfstandig recht op omgang. De bijzondere situatie van de minderjarige en haar zorgbehoefte maakten het contact complex, maar veranderden niets aan de juridische criteria. Daarom werd de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken en werd de bestreden beschikking vernietigd voor zover zij haar verzoeken afwees.
Uitkomst: De grootmoeder vaderszijde is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken om een omgangsregeling met de minderjarige.