Uitspraak
1.De zaken in het kort
2.Het geding in hoger beroep
meer subsidiair, verzocht:
3.Feiten
Na de mededeling van afgelopen maandag dat [werknemer] per 1 december terugkomt in
Conclusie oordeel over het al dan niet sprake zijn van grensoverschrijdend gedrag Eerder effectief gedrag met soms een directief element in aanspreken van operators op veilig gedrag en productie verstoringen lijkt in de loop van de tijd overgegaan te zijn in intimiderend gedrag Met negatieve effecten op de werksfeer voor (bijna) alle operators, angstgevoelens bij een aantal operators, bij een enkeling leidend tot mentale fysieke klachten. Dit is als grensoverschrijdend aan te merken in 2022. Vrijwel de hele bezetting van de fabriek in Uithoorn ziet terugkeer van de supervisor niet zitten. Een aantal zal zich dan ziekmelden, een
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
wegens voorschot op verbeurde dwangsommen’, vermeerderd met rente. Dit verzoek is door PPG voor het eerst in hoger beroep gedaan. In het verzoekschrift in eerste aanleg is de (on)verschuldigdheid van de door PPG aan [werknemer] betaalde dwangsommen niet aan de orde gesteld. Het verzoek vloeit ook niet voort uit hetgeen tussen partijen over en weer in eerste aanleg in geschil was. Door PPG is ook niet toegelicht waarom dit verzoek pas in hoger beroep voor het eerst is gedaan: de dwangsommen dateren al van vóór de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. De ontvankelijkheid van dit in hoger beroep voor het eerst ingediende verzoek stuit af op het bepaalde in artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). PPG zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek (primair onder b. van het petitum in hoger beroep).