AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing verzoek tot beperkte kennisname in belastingzaak wegens privacybelang
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de inspecteur van de Belastingdienst een verzoek ingediend om een bepaald stuk, een melding met vermeende fiscale misstanden, slechts beperkt toegankelijk te maken voor belanghebbende. De vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam, handelend als geheimhoudingskamer, heeft dit verzoek beoordeeld.
De kamer heeft vastgesteld dat in beginsel alle stukken aan partijen ter beschikking moeten worden gesteld, maar dat op grond van artikel 8:29 lid 1 AwbPro gewichtige redenen kunnen bestaan om stukken geheel of gedeeltelijk geheim te houden. Hierbij moet terughoudendheid worden betracht en wordt het belang van privacy van de melder, die een fiscale misstand meldt, als voldoende zwaarwegend beschouwd.
De kamer heeft daarom besloten dat belanghebbende slechts kennis mag nemen van een zakelijke herformulering van het stuk, waarbij privacygevoelige informatie is afgeschermd. Het is aan de kamer die de hoofdzaak behandelt om te onderzoeken of belanghebbende akkoord gaat met volledige kennisname van het niet-geherformuleerde stuk.
De uitspraak is op 26 maart 2024 gedaan en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming wordt toegewezen vanwege het privacybelang van de melder.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 23/727 tot en met 23/734
26 maart 2024
de vierde meervoudige belastingkamer, fungerende als geheimhoudingskamer
proces-verbaal
van de mondelinge tussenuitspraak in het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Zwiers)
tegen de uitspraak van 26 juni 2023 in de zaak met kenmerken HAA 21/2042 tot en met HAA 21/2049 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
De mondelinge behandeling van het verzoek van de inspecteur tot beperkte kennisneming (geheimhouding voor belanghebbende) heeft plaatsgevonden op 19 maart 2024. Belanghebbende is verschenen. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. drs. [A] en [B] .
Beslissing
wijst het verzoek tot beperkte kennisneming van het stuk (bijlage bij bijlage 51 bij het verweerschrift in eerste aanleg) toe in die zin dat aan belanghebbende uitsluitend bekend wordt gemaakt hetgeen hierna onder 5. is weergegeven.
verstaat dat de kamer die de hoofdzaak behandelt onderzoekt of belanghebbende akkoord gaat met kennisname door die kamer van het volledige niet-geherformuleerde stuk.
Gronden
1. In deze procedure heeft de inspecteur ten aanzien van één stuk (door hem aangeduid als een melding, gevoegd bij bijlage 51 bij het verweerschrift in eerste aanleg) het standpunt ingenomen dat er gewichtige redenen zijn in de zin van art. 8:29 lid 1 AwbPro om ten aanzien van dat stuk te bepalen dat dit voor de belanghebbende geheim gehouden mag worden.
2. Ter beoordeling van het verzoek tot beperkte kennisneming is het dossier in handen gesteld van de vierde meervoudige belastingkamer. De geheimhoudingskamer heeft daartoe de beschikking gekregen over een ongeschoonde versie van het stuk ten aanzien waarvan de inspecteur een beroep doet op art. 8:29 lid 1 AwbPro, en heeft kennis genomen van het gehele dossier van de zaak.
3. Het Hof stelt voorop dat in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur aan het Hof en aan de wederpartij ter beschikking moeten worden gesteld.
4. Het bepaalde in art. 8:29 AwbPro biedt de mogelijkheid (delen van) een op de zaak betrekking hebbend stuk voor belanghebbende geheim te houden indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Bij het geheimhouden van (delen van) een op zaak betrekking hebbend stuk moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Beslissend bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of desbetreffende (gedeelten van) de stukken voor de verdediging van het standpunt van belanghebbende noodzakelijk of essentieel zijn – dan zou zonder meer kennisneming dienen plaats te vinden – en ook niet of kennisneming door de belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
5. Het Hof onderkent op zichzelf het belang van privacy/eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van personen die – zoals zich in deze voordoet – melding maken van een, in de optiek van degene die de melding doet, fiscale misstand. Het belang van privacy vormt in dezen voldoende gewichtige reden tot 1) geheimhouding voor belanghebbende van gedeelten van het stuk en 2) zakelijke herformulering van het resterende gedeelte van het stuk zoals hieronder weergegeven.
“Goedendag,
(…)
[X] is eigenaar van [Y] avondwinkel in [Z] . Hij heeft al problemen met de Belastingdienst.
(…)
Hij is van oorsprong Irakees, maar woont al bijna twintig jaar in Nederland.
Hij heeft altijd illegalen aan het werk. (…)
Ze betalen geen belasting (…) in Nederland. Hij verkoopt zoveel zwart in [Z] , (…)
.
(…) Hij doet alles wat niet mag en heeft totaal niets met regels.
(…)
Veel succes.”
6. Ter zitting is de inspecteur ermee akkoord gegaan dat het gedeelte van het stuk zoals hierboven geherformuleerd aan belanghebbende kenbaar wordt gemaakt hetgeen bij deze gebeurt.
Slotsom
7. Het verzoek tot beperkte kennisneming van het stuk kan worden toegewezen in die zin dat aan belanghebbende uitsluitend bekend gemaakt wordt hetgeen hierboven onder 5. is weergegeven.
8. Het is aan de kamer die de hoofdzaak behandelt te onderzoeken of belanghebbende ermee akkoord gaat dat die kamer kennis neemt van de volledige niet-geherformuleerde tekst van het stuk.
De uitspraak is gedaan op 26 maart 2024 door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en JP.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier.
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.