De zaak betreft een geschil tussen een appartementseigenaar en de Vereniging van Eigenaars (VvE) over de vraag of tijdelijke verhuur van (een gedeelte van) het appartement aan toeristen zonder toestemming van de VvE is toegestaan op grond van de splitsingsakte.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat kortdurende verhuur niet past binnen de woonbestemming zoals neergelegd in de splitsingsakte en dat toestemming van de VvE vereist is. De VvE had een verbod ingesteld op tijdelijke verhuur, bekrachtigd in het huishoudelijk reglement, met een boeteclausule.
In hoger beroep heeft het hof het oordeel van de rechtbank bevestigd. Het hof oordeelde dat tijdelijke verhuur niet valt onder de toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in de splitsingsakte en dat het feit dat de eigenaar zelf aanwezig is tijdens verhuur dit niet verandert. Ook is er geen sprake van meten met twee maten, aangezien incidentele vakantieverhuur anders is dan de structurele korte termijn verhuur die appellant nastreeft.
Het hof heeft het bestreden vonnis grotendeels bekrachtigd, maar de verklaring voor recht herformuleerd om onduidelijkheid over de reikwijdte van het verbod weg te nemen. De appellant is veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep, de VvE in de kosten van het incidenteel hoger beroep.