In deze civiele zaak stond centraal of de aftoppingsregeling van de stimuleringspremie in het Sociaal Plan van ABN AMRO in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Het hof heeft eerst overwogen dat eerdere beslissingen, waaronder een tussenbeschikking van het hof en uitspraken van de Hoge Raad en het hof Den Haag, aanleiding geven om de kwestie opnieuw te beoordelen.
Het hof concludeert dat de aftoppingsregeling een legitiem doel dient, namelijk het beperken van financiële gevolgen van reorganisatie, het eerlijk verdelen van middelen en het beschermen van werknemers tegen economisch nadeel. De regeling is passend en noodzakelijk, mede gezien de pensioenmaatregelen van ABN AMRO en de overige voorzieningen in het Sociaal Plan.
De persoonlijke omstandigheden van appellante, zoals arbeidsongeschiktheid, zijn niet doorslaggevend voor de objectieve rechtvaardiging van de regeling. Het hof wijst het beroep af en bekrachtigt de bestreden beschikking, waarbij appellante wordt veroordeeld in de proceskosten.