In deze civiele zaak vordert appellant terugbetaling van € 155.000,00 die hij aan geïntimeerde heeft betaald in verband met de aankoop van een woning in Duitsland. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan, of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en of op grond van redelijkheid en billijkheid een vergoedingsrecht bestaat.
Het hof liet een deskundige een grafologisch onderzoek uitvoeren naar de echtheid van een betwiste handtekening op een document van 18 mei 2015. De deskundige concludeerde dat het niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de handtekening authentiek is of vervalst, waardoor het stuk geen bewijs oplevert. Dit stuk bleef daarom buiten beschouwing.
Appellant stelde dat hij het geld betaalde met de intentie samen met geïntimeerde de woning te kopen en daar samen te leven. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te tonen dat de betalingen onverschuldigd waren. Ook stelde appellant onvoldoende bewijs voor ongerechtvaardigde verrijking en kon hij geen bijzondere feiten aanvoeren die een vergoedingsrecht op grond van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen.
Daarom faalden alle grieven van appellant en werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten van het hoger beroep worden ieder door partijen zelf gedragen.