Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.De vorderingen in eerste aanleg en het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling in hoger beroep
Verder hebben [appellants] c.s. hun vordering tot schadevergoeding gewijzigd. Naast de al in eerste aanleg gevorderde contractuele boete vorderen [appellants] c.s. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] jegens hen tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst uit hoofde waarvan zij aansprakelijk zijn voor de door [appellants] c.s. geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.
“Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”
Subsidiair bepleiten [appellants] c.s. met grief II dat als een volmacht ontbrak, de schijn van toereikende volmachtverlening is gewekt (toedoen- en risicobeginsel) en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] om die reden aan de koopovereenkomst zijn gebonden.
Deze grieven zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.
door partijenvan de koopovereenkomst of de leveringsakte. Uit de bewoordingen van de overeenkomst van opdracht waarop [appellants] c.s. zich beroepen volgt niet dat [geïntimeerde 3] stukken namens zijn opdrachtgevers mag ondertekenen. Uit de overeenkomst van opdracht of hetgeen [appellants] c.s. hebben aangevoerd volgt ook anderszins niet dat [geïntimeerde 3] de bevoegdheid is verleend om namens zijn opdrachtgevers een aanbod te aanvaarden. Daarmee faalt reeds grief I.
a. een vraagprijs van € 495.000 k.k.,
[naam 5] heeft daarentegen verklaard dat hij niet in april 2021, maar op 3 mei 2021 - na aandringen - op zijn vraag wie de bedrijfsruimte zou gaan kopen van [geïntimeerde 3] heeft gehoord dat het ging om een boksschool. [naam 5] verklaart dat hij daarna contact heeft gehad met [naam 2] en dat hij voor 5 mei 2021 geen ‘app contact’ met haar heeft gehad. Hij verklaart voorts: “In de periode tussen 3 en 5 mei heb ik geen contact gehad met [geïntimeerde 2] maar wel met [naam 1] .” Uitgaande van de door [naam 5] genoemde datering van gebeurtenissen voert [geïntimeerde 2] aan dat onjuist is dat [naam 4] (of zijzelf) al in april 2021 van de komst van een boksschool gehoord zouden hebben. Dat was pas in mei 2021 en zij heeft zo spoedig mogelijk daarna laten weten niet akkoord te gaan met de verkoop aan [appellants] c.s., aldus samengevat haar betoog. Er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat [geïntimeerde 2] eerder wist dat er een bieder was die een boksschool in de bedrijfsruimte wilde realiseren.
€ 10.575(tarief VII × 2 punten)
€ 10.575(tarief VII × 2 punten)
€ 10.575(tarief VII × 2 punten)