ECLI:NL:GHAMS:2024:2483
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens afloop wettelijke termijn
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, welke eerder door de kinderrechter was afgewezen. De vader, die geen gezag heeft maar wel het kind heeft erkend, is in hoger beroep gekomen tegen deze afwijzing en verzocht om verlenging van twaalf maanden.
Het hof oordeelt dat de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt vanwege zijn juridische en biologische ouderrelatie en de invloed van de ondertoezichtstelling op zijn positie. De gecertificeerde instelling had haar verzoek tot verlenging ingetrokken, waardoor de vader het verzoek kon overnemen.
Echter, het hof stelt vast dat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd op de door de kinderrechter bepaalde datum en dat verlenging na afloop van deze termijn niet mogelijk is. Hoewel er nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en een verstoorde verstandhouding tussen de ouders, kan het verzoek niet worden toegewezen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de wettelijke termijn is verstreken.