ECLI:NL:GHAMS:2024:3165

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
200.345.682/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287b FwArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende minnelijk traject en gebrek aan goede trouw

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarin haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Zij heeft onder meer aangevoerd dat haar schulden voornamelijk bestaan uit boetes van het CJIB en dat zij haar situatie probeert te stabiliseren, onder andere door behandeling van een gokverslaving en een aanstaande behandeling voor PTSS.

Het hof heeft beoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Faillissementswet, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij een reëel en voldoende gemotiveerd minnelijk traject heeft doorlopen. De verklaring van de Kredietbank was te summier en er is geen bewijs dat tijdens het moratorium een aanbod aan schuldeisers is gedaan. Bovendien beschikt appellant over voldoende afloscapaciteit en zijn er geen omstandigheden die het onmogelijk maakten om een buitengerechtelijke regeling te treffen.

Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De verkeersboetes zijn niet te goeder trouw ontstaan en de positieve ontwikkelingen in haar persoonlijke situatie zijn nog van te korte duur om een bestendige verbetering aan te nemen.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart appellant niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het hof moedigt appellant aan om bij stabilisatie van haar situatie opnieuw een verzoek in te dienen en wijst op het belang om geen nieuwe schulden bij het CJIB te laten ontstaan.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het niet doorlopen van een voldoende minnelijk traject en het ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.345.682/01
rekestnummer rechtbank : C/15/350107 FT RK 24/145
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 oktober 2024
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. A.W. Hoogland te Den Helder.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 10 september 2024 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 3 september 2024, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 8 oktober 2024. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Hoogland voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en de ter zitting overgelegde producties. Mr. Hoogland voornoemd heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) bestaat uit diverse boetes die zijn opgelegd omdat [appellant] haar auto niet tijdig had laten keuren. Voor het onverzekerd rondrijden heeft zij twee boetes gekregen die zij te laat heeft betaald, waardoor de boetes zijn opgelopen tot een aanzienlijk bedrag. De auto is inmiddels gekeurd en [appellant] betaalt de verzekering op tijd. Zij ziet in dat haar handelswijze verkeerd was. De rechtbank weegt mee dat [appellant] nog steeds een auto heeft, maar zij heeft deze auto nodig om op haar werk te komen en in haar levensonderhoud en dat van haar 12-jarige dochter te voorzien. [appellant] probeert een baan te vinden dichter bij huis, zodat zij de auto kan wegdoen. Ter zake de gokverslaving is [appellant] recent onder behandeling gesteld bij Brijder. Sinds 14 augustus 2024 heeft zij niet meer gegokt. Ook ter zake de bij [appellant] vastgestelde posttraumatische stressstoornis (PTSS) zal op korte termijn een behandeling worden gestart.
2.2
Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] kan worden ontvangen in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
2.3
Op grond van het bepaalde in artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Faillissementswet (Fw) is het uitgangspunt van de wetgever dat de schuldenaar voorafgaand aan een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een poging doet om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat er geen reële mogelijkheden voor een dergelijke regeling zijn. Deze verklaring moet afkomstig zijn van het college van burgemeester en wethouders van de woonplaats van de schuldenaar, een daartoe gemandateerde instelling, een daartoe aangewezen (rechts)persoon of een schuldbemiddelingsinstantie. Aan deze bepaling is met ingang van 1 juli 2023 toegevoegd dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.
2.4
In de op 13 september 2024 ondertekende verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Fw is vermeld dat de Kredietbank aan de schuldeisers namens [appellant] geen aanbod heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, omdat andere omstandigheden dit voor [appellant] onmogelijk maken. In deze verklaring is tevens gerefereerd aan de aanvraag van een moratorium ex artikel 287b Fw en is (enkel) vermeld dat de schuldenlast eerst moet worden geïnventariseerd alvorens een aanbod kan worden gedaan aan de schuldeisers. Tegen de achtergrond dat in dezelfde verklaring staat dat [appellant] beschikt over een afloscapaciteit van € 440,26 per maand en dat een moratorium ertoe strekt om het minnelijk traject te kunnen doorlopen zonder daarbij te worden gehinderd door de dreiging van woningontruiming, acht het hof - zonder nadere toelichting, die ook niet door [appellant] is gegeven - deze verklaring te summier en onvoldoende met redenen omkleed. Hoewel de verklaring blijkens de daarop vermelde datum is afgegeven op 13 maart 2024 en het moratorium - naar zeggen van [appellant] - eerst in april 2024 is uitgesproken voor de duur van zes maanden, is ook niet gebleken dat gedurende die periode een aanbod is gedaan aan de schuldeisers. Nu [appellant] beschikt over voldoende afloscapaciteit en niet is gebleken dat andere omstandigheden het onmogelijk maakten om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de eis dat het minnelijk traject is doorlopen alvorens een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gedaan. Dit leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat [appellant] alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
2.5
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Ook indien voorafgaand aan het toelatingsverzoek door [appellant] een adequaat minnelijk traject zou zijn doorlopen, zou het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling thans niet voor toewijzing in aanmerking zijn gekomen. Daartoe is het volgende redengevend. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw vloeit voort dat een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [appellant] daarin niet is geslaagd. De CJIB-schuld betreft verkeersboetes en is daarmee naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan, terwijl deze schuld gezien de hoogte, ook ten opzichte van de totale schuldenlast, als substantieel kan worden aangemerkt. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw, maar naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar is aannemelijk geworden dat [appellant] vanaf 14 augustus 2024 niet meer heeft gegokt en dat zij een behandeling ondergaat ter bestrijding van haar gokverslaving, maar deze positieve ontwikkelingen zijn nog van te korte duur om daaruit een bestendige keer ten goede af te leiden. Daarbij komt dat de behandeling voor de vastgestelde PTSS nog een aanvang dient te nemen. Aldus is niet gebleken dat de situatie van [appellant] thans zodanig is gestabiliseerd dat op grond daarvan nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende gewaarborgd is. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof ziet dat [appellant] op de goede weg is voor haarzelf en haar dochter. Indien [appellant] op termijn kan aantonen dat haar leven een stabiele wending heeft genomen, kan zij nogmaals een verzoek doen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Het hof geeft [appellant] in dit verband in overweging dat zij - als zij haar auto blijft gebruiken voor haar werk - geen nieuwe schulden bij het CJIB mag laten ontstaan.
2.6
Het hof onderkent dat de onderhavige beslissing ertoe kan leiden dat de verhuurder van de woning alsnog zal overgaan tot ontruiming. Gelet evenwel op de omstandigheid dat [appellant] gedurende de looptijd van het moratorium niet is ontruimd omdat zij - naar het hof begrijpt - de lopende verplichtingen uit de huurovereenkomst steeds is nagekomen, gaat het hof ervan uit dat de verhuurder deze omstandigheid in het voordeel van [appellant] laat meewegen bij de vraag of alsnog tot ontruiming moet worden overgegaan.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, M.A.J.G. Janssen en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.