ECLI:NL:GHAMS:2024:3165
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende minnelijk traject en gebrek aan goede trouw
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarin haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Zij heeft onder meer aangevoerd dat haar schulden voornamelijk bestaan uit boetes van het CJIB en dat zij haar situatie probeert te stabiliseren, onder andere door behandeling van een gokverslaving en een aanstaande behandeling voor PTSS.
Het hof heeft beoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Faillissementswet, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij een reëel en voldoende gemotiveerd minnelijk traject heeft doorlopen. De verklaring van de Kredietbank was te summier en er is geen bewijs dat tijdens het moratorium een aanbod aan schuldeisers is gedaan. Bovendien beschikt appellant over voldoende afloscapaciteit en zijn er geen omstandigheden die het onmogelijk maakten om een buitengerechtelijke regeling te treffen.
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De verkeersboetes zijn niet te goeder trouw ontstaan en de positieve ontwikkelingen in haar persoonlijke situatie zijn nog van te korte duur om een bestendige verbetering aan te nemen.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart appellant niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het hof moedigt appellant aan om bij stabilisatie van haar situatie opnieuw een verzoek in te dienen en wijst op het belang om geen nieuwe schulden bij het CJIB te laten ontstaan.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het niet doorlopen van een voldoende minnelijk traject en het ontbreken van goede trouw.