In deze zaak staat de waardebepaling van een woning voor het kalenderjaar 2021 centraal, waarbij belanghebbende bezwaar maakte tegen de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen het oordeel over de informatieverstrekking en de griffierechtvergoeding, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde tegen de hoogte van de immateriële schadevergoeding.
Het Hof bevestigt dat de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 40, lid 2, Wet WOZ door het verstrekken van het taxatieverslag, de matrix met KOUDU-factoren en de grondstaffel. De klachten over onvoldoende inzicht in de waardebepaling worden verworpen. Wel oordeelt het Hof dat belanghebbende recht heeft op terugbetaling van het betaalde griffierecht voor het beroep.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding matigt het Hof het bedrag aanzienlijk van € 857,14 naar € 85,72, gelet op het geringe financiële belang (€ 48,72), de eenvoud van de zaak en het feit dat de gemachtigde op no cure no pay-basis werkte. Het Hof vernietigt daarom het deel van het vonnis dat de hogere vergoeding oplegt en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van de gematigde vergoeding en een proceskostenvergoeding van € 60. De overige onderdelen van het vonnis blijven in stand.