ECLI:NL:GHAMS:2024:612
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en uitleg kettingbeding in geschil tussen voormalige buren over privégebruik paardenbak en weiland
In deze civiele zaak tussen voormalige buren staat centraal of een kettingbeding uit een vaststellingsovereenkomst uit 2004 is opgelegd aan de rechtsopvolgers van de verkoper van een perceel met paardenbak en weiland. De oorspronkelijke eigenaar van het naastgelegen perceel vordert een boete van €20.000 wegens vermeende schending van dit beding.
De kantonrechter wees de vordering af, stellende dat het kettingbeding wel aan de rechtsopvolgers was opgelegd en dat bedrijfsmatig gebruik niet was toegestaan, maar dat de activiteiten van de nieuwe eigenaren volgens de gemeente hobbymatig waren. Het hof onderzoekt de vraag of het kettingbeding aan de rechtsopvolgers is opgelegd en oordeelt dat dit bewijs aan de voormalige eigenaren toekomt, omdat dit feit in hun domein ligt.
Het hof wijst het bewijsaanbod van de voormalige eigenaren toe om aan te tonen dat zij het kettingbeding aan hun rechtsopvolgers hebben opgelegd. Daarbij is niet van belang of de rechtsopvolgers het perceel bedrijfsmatig gebruiken. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en verdere beslissing.
De uitspraak benadrukt het belang van bewijsverdeling bij kettingbedingen en verduidelijkt dat de civielrechtelijke verplichting tot oplegging aan rechtsopvolgers vormvrij is, terwijl het gebruik van het perceel niet relevant is voor de boeteclausule.
Uitkomst: Het hof laat bewijs toe over oplegging kettingbeding aan rechtsopvolgers en houdt verdere beslissing aan.