In deze civiele zaak ging het om de verkoop van verplaatsbare garageboxen door Boxx c.s. aan [geïntimeerde], gevolgd door een leaseback-constructie waarbij Boxx c.s. de boxen terughuurden. De garageboxen bleken echter niet te voldoen aan de overeenkomst omdat zij van kunststof waren in plaats van beton en niet verplaatsbaar waren. Dit leidde tot een geschil over de betaling van de tweede termijn van de koopsom en huurachterstanden.
De kantonrechter oordeelde dat Boxx c.s. tekortgeschoten waren in de nakoming van de koopovereenkomst en dat [geïntimeerde] daarom niet de volledige koopprijs hoefde te betalen, maar de huurbetalingen van Boxx c.s. niet mochten worden opgeschort. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer van Boxx c.s. dat het materiaal en de verplaatsbaarheid niet van belang waren voor het rendement en de waarde van de boxen.
Daarnaast stelde het hof vast dat [geïntimeerde] de betaling van de tweede termijn van de koopsom mocht opschorten totdat een creditnota werd toegezegd en een oplossing werd bereikt. Vanaf 19 mei 2021 was zij echter verplicht het onbetwiste deel te voldoen, waarover zij contractuele rente verschuldigd was tot 13 januari 2022. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen zonder matiging, gezien de omvang en duur van de werkzaamheden en de professionele relatie tussen partijen.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de contractuele rente en incassokosten betrof en bekrachtigde het verder. Boxx c.s. werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.