Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van verduistering van brandstof in dienstbetrekking. De rechtbank legde een ontnemingsmaatregel op van €47.234,60, gebaseerd op een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van €52.234,60. Het gerechtshof Den Haag vernietigt dit vonnis en komt tot een andere schatting van het voordeel.
Het hof neemt alleen drie van de vier leveringen in 2013 mee in de berekening, omdat alleen voor die drie betalingen zijn ontvangen. Het standpunt van de verdediging dat het voordeel gedeeld moest worden met bemanningsleden wordt verworpen, evenals het verzoek om getuigen te horen. Daarnaast wordt een verlies van ruim 15.000 liter brandstof op 9/10 augustus 2011 meegenomen, omdat dit boven de wettelijke verliesnorm van 0,3% ligt en betrokkene als schipper verantwoordelijk wordt gehouden.
De totale schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee op €30.278,25. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn wordt de ontnemingsmaatregel gematigd tot €25.278,25. Het hof bepaalt tevens de maximale duur van gijzeling op 505 dagen. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag en uitgesproken op 8 maart 2024.