ECLI:NL:GHAMS:2024:901
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel met matiging wegens termijnoverschrijding
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 8 maart 2024 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2019, waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €441.219 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit voordeel hield verband met het medeplegen van valsheid in geschrift.
De verdediging voerde onder meer aan dat een naheffing accijns door de belastingdienst in mindering gebracht moest worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof oordeelde dat aangezien deze naheffing niet daadwerkelijk is betaald en geen directe kosten zijn gemaakt, deze niet in mindering kan worden gebracht. Tevens werd het draagkrachtverweer van de betrokkene verworpen, omdat onvoldoende concreet en onderbouwd is aangetoond dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht heeft.
Verder constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaar sinds aanvang van de ontnemingsprocedure, waardoor het bedrag van de betalingsverplichting met €5.000 werd gematigd. Tot slot bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling die kan worden gevorderd op 1080 dagen, conform de wettelijke richtlijnen.
Uitkomst: Bevestiging vonnis tot betaling €441.219 met matiging van €5.000 en maximale gijzeling van 1080 dagen.