ECLI:NL:GHAMS:2024:949

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
200.327.937/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over omvang en betaling van meerwerk bij aanneming van aanbouw

In deze civiele procedure gaat het om een geschil tussen een opdrachtgever en een aannemer over de uitvoering en betaling van werkzaamheden voor de bouw van een aanbouw. De aannemer heeft een aanneemovereenkomst gesloten op basis van een offerte van maart 2020, met een overeengekomen prijs van € 26.750 exclusief BTW. De aannemer bracht daarnaast meerwerk in rekening via een factuur van april 2021, die de opdrachtgever niet betaalde. De aannemer staakte vervolgens de werkzaamheden, waardoor de aanbouw niet werd afgebouwd.

De opdrachtgever stelde dat de aanbouw niet volledig en kwalitatief goed was uitgevoerd en vorderde betaling voor herstelkosten. De kantonrechter oordeelde dat een deel van de werkzaamheden meerwerk betrof en dat de aannemer zijn werkzaamheden mocht opschorten totdat de opdrachtgever de meerwerkfactuur betaalde. Het hof corrigeert dit oordeel omdat de meerwerkfactuur pas tijdens de procedure aan de opdrachtgever bekend werd gemaakt, waardoor deze niet in verzuim was. Het hof stelt het verzuim van de aannemer vast op 27 april 2023, waarna de opdrachtgever een derde mocht inschakelen voor herstel.

Het hof beoordeelt de meerwerkposten en vermindert deze met posten die niet of onvoldoende onder het meerwerk vallen of waarvan de kosten te hoog zijn vastgesteld. Uiteindelijk wordt het meerwerk toegekend voor een bedrag van € 3.251,94 exclusief BTW. De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van € 24.739 exclusief BTW aan herstelkosten en € 3.675 exclusief BTW aan deskundigenkosten. De proceskosten worden deels toegewezen en deels gecompenseerd. Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de aannemer tot betaling van herstel- en deskundigenkosten en wijst gedeeltelijk het meerwerk toe aan de opdrachtgever.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.327.937/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10024496 CV EXPL 22-10045
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 april 2024
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. C. Hofmans te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen,

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 27 februari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 november 2022, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
[appellant] heeft een memorie van grieven met producties ingediend en daarbij zijn eis gewijzigd.
Aan [geïntimeerde] is verstek verleend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn, in hoger beroep gewijzigde, vorderingen volledig zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met rente.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.7. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen.
Met grief I komt [appellant] tegen deze feitenvaststelling op. Daarop zal het hof bij de beoordeling ingaan, met dien verstande dat de onjuiste datum onder 1.4., waarover [appellant] terecht klaagt, is aangepast.
2.1.
[geïntimeerde] is aannemer en heeft met [appellant] een aanneemovereenkomst gesloten naar aanleiding van een aanvaarde offerte van 25 maart 2020. In de offerte zijn verschillende werkzaamheden opgenomen die zouden moeten leiden tot de bouw van een aanbouw aan de woning van [appellant] . In de geaccepteerde offerte is een prijs voor de werkzaamheden opgenomen van € 26.750, - exclusief BTW.
2.2.
In de offerte zijn de volgende werkzaamheden opgenomen:
-
Verwijderen van het terras aan de achterzijde en stenen achtergevel van 3 meter. (doen jullie zelf met wat hulp van ons)
-
Bomen weghalen doen jullie
-
Uitgraven van de grond aanbouw (met hulp van jullie)
-
Aanbouw 300 cm zoals aangegeven op de tekening, inclusief kozijn linkerzijde, en schuifpui rechterzijde (vanuit binnen gezien)
-
Aanbouw wordt geplaatst op palen (trillingvrij), 4 stuks
-
Fundering uitzetten
-
Fundering storten
-
Betonvloer storten
-
Nieuwer vloer egaliseren
-
Gevel slopen op juiste hoogte
-
Stalen balk plaatsen om gevel op te vangen zoals besproken stenen muurtje blijft staan
-
Zijwanden metselen
-
Binnenmuren plaatsen
-
Plafond van aanbouw maken
-
Dak van aanbouw maken
-
Dakdekker brand 2 laags bitum
-
Scheidingswand plaatsen in aanbouw
-
Hemelwater afwatering plaatsen en aansluiten
-
Volledig voorzien van electra
-
Trapaanbouw leveren in overleg
-
Schilderen doen jullie zelf
-
Verarmde vloer
-
Meerwerk vooraf opgeven
2.3.
[geïntimeerde] heeft bij de buren van [appellant] ook een aanbouw gebouwd.
2.4.
[geïntimeerde] heeft meerwerk in rekening gebracht bij [appellant] door het versturen van een factuur van 18 april 2021 voor een bedrag van € 13.450,00. [appellant] heeft deze factuur niet betaald.
2.5.
In de meerwerkfactuur zijn de volgende werkzaamheden opgenomen:
-
vloerverwarming aansluiten in zand cementen dekvloer € 1850
- Zand cementen dekvloer aan brengen € 850
- Gehele aanbouw stucen € 950
- Aanbouw voorzien van spotjes en electra schakelaars en dimmers enz.
€ 2250
- Wanden bij trap maken met gips en hout en stucen € 775
- Buitenkraan plaatsen en aansluiten € 475
- Kozijn verandering aanpassen € 2750
- Nieuwe tussenmuur metselen € 775
- Ander kozijn leveren met opslaand raam € 1750
- Container voor het afval € 475
- Uitgraven voor fundering € 550
2.6.
[geïntimeerde] heeft zijn werkzaamheden gestaakt en de aanbouw is niet afgebouwd.
2.7.
[appellant] heeft een rapport van expertise laten opmaken door ing. [X] (hierna: [X] ) van Top Expertise gedateerd 21 september 2021. [X] heeft kennisgenomen van de offerte en heeft de aanbouw onderzocht in bijzijn van [geïntimeerde] . [X] beraamt de kosten van herstel(afbouw) op € 19.030,00 exclusief BTW.

3.Beoordeling

3.1.
In deze procedure heeft [appellant] in eerste aanleg betaling van € 22.866,70 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft daartoe gesteld dat de overeengekomen aanbouw niet volledig is afgebouwd en dat de kwaliteit van wat is gebouwd minder is dan hij mocht verwachten. Het gevorderde bedrag is nodig voor herstel en afbouw. [geïntimeerde] heeft daartegenover gesteld dat hij slechts een casco aanbouw zou bouwen, zodat de kosten voor afwerking meerwerk zijn, dat hij de werkzaamheden goed heeft gedaan en dat hij de bouw heeft gestaakt omdat [appellant] het meerwerk niet heeft voldaan.
3.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat een aantal posten niet vallen onder de offerte en dus als meerwerk dienen te worden vergoed. Voor dat deel heeft [geïntimeerde] zich terecht beroepen op zijn opschortingsrecht. Zodra [appellant] de prijs voor deze werkzaamheden, € 8.775,--, voldoet, zal [geïntimeerde] de werkzaamheden dienen af te ronden, aldus de kantonrechter.
3.3.
[appellant] komt tegen dit oordeel op met drie grieven. Met de eerste grief stelt [appellant] dat de kantonrechter niet had mogen vaststellen dat de onder 2.4. bedoelde meerwerkfactuur daadwerkelijk dateert van 18 april 2021, omdat [appellant] pas kennis heeft genomen van de factuur toen deze in deze procedure in eerste aanleg is ingebracht. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg slechts verklaard dat hij die factuur op 13 april 2021 heeft gemaakt en dat hij deze toen aan [appellant] heeft overhandigd. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep niet is verschenen, heeft hij niet toegelicht hoe is te verklaren dat de deskundige van [appellant] in zijn rapport heeft vastgelegd dat een meerwerkopgave ontbrak, dat [geïntimeerde] daarom is gevraagd en dat [geïntimeerde] toen heeft gezegd die te zullen verstrekken. Bij gebreke aan die nadere toelichting kan het hof niet anders doen dan uitgaan van de stelling van [appellant] dat de meerwerkopgave pas later, tijdens de procedure, is verstrekt. Bij de beoordeling van grief III zal het hof daaraan gevolgen verbinden.
3.4.
Met grief II bestrijdt [appellant] dat een aantal posten meerwerk was. Het hof overweegt over deze posten als volgt:
Ten aanzien van de post
spotjes en electra schakelaars en dimmers enz.(€ 2.250,--) overweegt het hof dat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd dat deze niet vallen onder “volledig voorzien van elektra”. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat onder deze overeengekomen post, zonder nadere afspraak die niet voldoende is gesteld of gebleken, niet ook het aanbrengen van spotjes met schakelaars en dimmers valt.
Ten aanzien van de post
wanden bij de trap(€ 775,--) volgt het hof de in hoger beroep onbestreden stelling van [appellant] , die zich er onder verwijzing naar het oordeel van zijn deskundige op beroept dat het werk niet goed is, opnieuw moet worden gedaan en daarom in het geheel niet mag worden berekend. In zoverre slaagt de grief.
Ten aanzien van de post
buitenkraan(€ 475,--) stelt [appellant] dat elders een kraan kan worden ingekocht voor een lager bedrag. [appellant] gaat er daarmee aan voorbij dat [geïntimeerde] niet alleen de kraan maar ook de montage heeft berekend. Mede daarom is de enkele omstandigheid dat elders een kraan voor een bepaalde prijs kan worden ingekocht onvoldoende om anders te oordelen dan de rechtbank. Dit onderdeel van de grief faalt.
Ten aanzien van de post
kozijn verandering aanpassen(€ 2.750,--) volgt het hof het in hoger beroep onbestreden oordeel van de deskundige van [appellant] dat de gefactureerde kosten voor die werkzaamheden te hoog zijn en daarom zal de prijs daarvan worden aangepast naar € 526,94 exclusief BTW. De grief slaagt voor dit onderdeel.
Ten aanzien van de posten
nieuwe tussenmuur metselen(€ 775,--) en
ander kozijn leveren met opslaand raam(€ 1.750,--) volgt het hof het in hoger beroep onbestreden oordeel van de deskundige van [appellant] dat deze werkzaamheden geen enkele waarde hebben. Ook deze onderdelen van de grief slagen.
Een en ander betekent dat het meerwerk wordt verminderd met € 775,-- (wanden bij de trap), met € 2.223,06 (kozijn verandering aanpassen; € 2.750 minus € 526,94), met € 775,-- (nieuwe tussenmuur metselen) en met € 1.750,-- (ander kozijn leveren met opslaand raam), derhalve in totaal met € 5.523,06. Het meerwerk dat in hoger beroep wordt toegewezen bedraagt aldus € 3.251,94 (€ 8.775,-- minus € 5.523,06) exclusief BTW.
3.5.
Uit de beoordeling van grief I vloeit voort dat [appellant] terecht met grief III stelt dat hij niet in verzuim is komen te verkeren omdat hij de meerwerkopgave pas in 2022 ontving en dat [geïntimeerde] dus ook niet eerder zijn herstelverplichtingen mocht opschorten. [appellant] heeft echter onvoldoende toegelicht waarom [geïntimeerde] per 12 september 2022 in verzuim geraakte, zodat het hof concludeert dat het verzuim van [geïntimeerde] ontstond op 27 april 2023. Op deze datum verstreek immers de in de ingebrekestelling door [appellant] op 27 maart 2023 gestelde termijn voor herstel. Na die datum stond het [appellant] dan ook vrij om een derde in te schakelen voor het herstel. [geïntimeerde] zal gelet op dit oordeel worden veroordeeld tot betaling van de door [appellant] gevorderde herstelkosten, die [geïntimeerde] niet heeft bestreden. [appellant] heeft in hoger beroep zijn op die herstelkosten gebaseerde eis gewijzigd in verband met gestegen bouwkosten. Het hof zal deze gestelde stijging, die door [geïntimeerde] ook niet is bestreden, toepassen op genoemd bedrag, dat aldus wordt verhoogd tot € 24.739,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2023.
3.6.
De door [appellant] gemaakte kosten voor deskundigenonderzoek komen ook voor vergoeding in aanmerking. In eerste aanleg heeft [appellant] € 1.210,-- exclusief BTW aan deskundigenkosten gemaakt. De kosten van het deskundigenrapport dat [appellant] in hoger beroep heeft ingebracht belopen € 2.465,-- exclusief BTW. Het door [appellant] in totaal gevorderde bedrag van € 3.675 exclusief BTW zal derhalve worden toegewezen.
3.7.
De grieven slagen gedeeltelijk. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] in conventie zal alsnog worden toegewezen. De kosten van de conventie in eerste aanleg komen voor rekening van [appellant] , de kosten van de reconventie in eerste aanleg komen voor rekening van [geïntimeerde] . De kosten van het hoger beroep worden gelet op deze uitkomst gecompenseerd.

4.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
in conventie:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 24.739,-- exclusief BTW vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 april 2023;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 3.675,-- exclusief BTW ter zake van deskundigenkosten.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 828,89 aan verschotten en € 996,-- voor salaris en op € 163,-- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
in reconventie:
veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 3.251,94 exclusief BTW;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van Louman begroot op € 996,-- voor salaris en op € 163,-- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
in conventie en reconventie:
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, M.E. Hinskens-van Neck en J.E. van der Werff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 april 2024.