In deze zaak heeft appellant de woning van geïntimeerde gekocht maar is zij haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet nagekomen. Geïntimeerde heeft daarop de koop ontbonden, de contractuele boete van €35.500,- geïnd en een aanvullende schadevergoeding van €27.838,74 gevorderd. De rechtbank heeft appellant veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering.
Appellant vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van het ontbreken van motivering bij de uitvoerbaarverklaring en het onevenredige karakter van de aanvullende schadevergoeding ten opzichte van de WOZ-waarde van een woning waarop beslag is gelegd. Het hof overwoog dat de uitvoerbaarheid van een veroordeling tijdens hoger beroep het uitgangspunt is en dat schorsing alleen kan worden toegewezen bij een kennelijke misslag of zwaarder belang van appellant.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. De stellingen van appellant over de hoogte van de schadevergoeding en de motivering van de uitvoerbaarverklaring zijn onvoldoende om een kennelijke misslag aan te nemen. Ook de zekerheid die beslag op de woning biedt, weegt mee in het nadeel van appellant.
De incidentele vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van geïntimeerde.