ECLI:NL:GHAMS:2025:1305
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging onderhoudsplicht wegens samenwoning als gehuwden volgens artikel 1:160 BW
In deze civiele procedure in hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld over de vraag of de vrouw en haar partner samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW Pro, hetgeen gevolgen heeft voor de onderhoudsplicht van de man.
De man had gesteld dat de vrouw en haar partner vanaf 4 januari 2023 samenwonen, wat de vrouw niet voldoende heeft kunnen ontkrachten ondanks haar pogingen tot tegenbewijs. Het hof nam onder meer verklaringen, appberichten en gedragingen in beschouwing, maar vond dat deze onvoldoende waren om het vermoeden van samenwoning te weerleggen.
Het hof overwoog dat samenwoning niet vereist dat elke dag en nacht samen wordt doorgebracht, vergelijkbaar met een normaal huwelijk. Ook tijdelijke overnachtingen elders sluiten samenwoning niet uit. De vrouw voerde een LAT-relatie aan, maar het hof vond dat de feiten en omstandigheden wezen op een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.
Gelet op deze vaststellingen concludeerde het hof dat de onderhoudsplicht van de man met ingang van 4 januari 2023 is geëindigd. De bestreden beschikking die een uitkering tot levensonderhoud bepaalde, werd vernietigd en het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieplicht werd toegewezen.
De kosten van de procedure werden niet aan de man opgelegd, maar op de gebruikelijke wijze gecompenseerd.
Uitkomst: De onderhoudsplicht van de man is met ingang van 4 januari 2023 geëindigd wegens samenwoning van de vrouw met haar partner als gehuwden.