In deze zaak stond de levering van twee panden centraal, nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over een huurachterstand en de uitvoering van een koopovereenkomst uit 2019. De voorzieningenrechter had appellante veroordeeld tot levering, welke levering vervolgens vrijwillig heeft plaatsgevonden.
Geïntimeerde stelde dat appellante niet-ontvankelijk was in hoger beroep wegens niet tijdige inschrijving, maar het hof verwierp dit verweer omdat de toepasselijke wettelijke bepalingen niet van toepassing waren op deze situatie. Tevens was het spoedeisend belang van geïntimeerde bij de voorlopige voorzieningen ten tijde van het vonnis aanwezig.
Het geschil over de vraag of tussen partijen een geldige overeenkomst tot levering was gesloten, werd door het hof beantwoord met bevestiging van de rechterlijke conclusie dat een perfecte overeenkomst tot stand was gekomen. De e-mailcorrespondentie en het feit dat op initiatief van appellante een leveringsafspraak met de notaris werd gemaakt, ondersteunen dit oordeel.
De grieven van appellante slaagden niet, waardoor het hof het bestreden vonnis bekrachtigde en appellante veroordeelde in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 3 juni 2025.