ECLI:NL:GHAMS:2025:1528
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot schorsing tenuitvoerlegging huurovereenkomst eindafrekening
In deze civiele zaak vordert appellant, verhuurder, in een incident de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis dat hem veroordeelt tot terugbetaling van een waarborgsom en proceskosten aan de Stichting als huurder. Het geschil betreft de eindafrekening na het einde van een huurovereenkomst.
Appellant stelt dat het vonnis berust op een kennelijke misslag omdat de kantonrechter een door de Stichting overgelegde productie verkeerd heeft geïnterpreteerd, namelijk dat de staat van het gehuurde bij aanvang in plaats van bij het einde van de huurovereenkomst zou zijn beoordeeld. Tevens voert appellant aan dat de uitvoerbaarheid bij voorraad een noodtoestand voor hem creëert.
Het hof oordeelt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging een zwaarder belang van appellant moet blijken en dat het vonnis geen kennelijke misslag bevat. De inhoudelijke bezwaren van appellant kunnen niet in dit incident worden beoordeeld. Het belang van de Stichting bij voortzetting van de tenuitvoerlegging is aanwezig, aangezien het gaat om een geldsom en proceskosten.
Daarom wijst het hof de vordering tot schorsing af en houdt het de beslissing over de kosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van de Stichting.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.