ECLI:NL:GHAMS:2025:1777
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vervroegde aanvangsdatum en verlenging schuldsaneringsregeling
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling op 14 januari 2025. Appellant betoogt dat de regeling reeds op 7 maart 2024 had moeten aanvangen, omdat hij toen al geen afloscapaciteit meer had en een schuldregelingsovereenkomst met de Kredietbank had gesloten.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 349a lid 1 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling achttien maanden bedraagt en kan aanvangen op de dag van de uitspraak of op het alternatieve aanvangsmoment, namelijk de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat ook het ontbreken van afloscapaciteit gelijkgesteld kan worden aan een eerste aflossing.
Uit het dossier blijkt dat appellant op 7 maart 2024 een schuldregelingsovereenkomst sloot met de Kredietbank, een erkende schuldbemiddelaar, en dat er toen al loonbeslag lag dat niet tot daadwerkelijke aflossingen leidde vanwege het inkomen onder de beslagvrije voet. Tevens is een 'nulaanbod' gedaan aan schuldeisers, wat duidt op geen afloscapaciteit.
Het hof acht aannemelijk dat appellant vanaf 7 maart 2024 geen afloscapaciteit had en stelt daarom de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op die datum. De regeling wordt verlengd met zes maanden tot 8 november 2025 om de bewindvoerder in staat te stellen verslag te doen en de rechter een eindzitting te laten bepalen. Vanaf 7 september 2025 wordt appellant ontheven van afdracht- en inspanningsverplichtingen, behoudens medewerkingsverplichtingen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden vonnis wordt op dit punt vernietigd en opnieuw beslist.
Uitkomst: De schuldsaneringsregeling vangt aan op 7 maart 2024 en wordt verlengd tot 8 november 2025.