Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] en
[appellant 2],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
nieteen opgegeven kadastrale grootte, doch het pand met tuin, zoals dat er in feite bijligt. Vandaar de bepaling in de “voorlopige” koopakte, welke bepaling U ook weer terugvindt in mijn akte van overdracht, dat verschil tussen de opgegeven en de werkelijke grootte aan geen der partijen enig recht zal verlenen. Voor wat betreft de grootte van de gedeeltelijke kadastrale percelen laat ik U allen gaarne de keus of ik mij houd aan de thans nog officiële approximatieve opgave van het kadaster dan wel aan de telefonische, tevens approximatieve doch waarschijnlijk nauwkeuriger, opgave van de landmeter. Juridisch maakt het niet uit. Het onroerend goed wordt overgedragen met de grootte, zoals die op het terrein blijkt. De kadastrale grootte, zoals het kadaster die te eniger tijd nog wel eens zal opgeven, geeft geen van partijen enig recht.”
3.Beoordeling
“kadastraal bekend gemeente [plaats A] , sectie [sectie 2] , groot zes are, tachtig centiare, [sectie 4] , groot twee are, negentig centiare, eenter plaatste afgepaald gedeeltevan nummer [sectie 5] ter grootte van ongeveer vijf en veertig are, twee en tachtig centiare (...), alsmede eenop het terrein afgepaald oostelijk gedeeltevan nummer [sectie 3] ter grootte van ongeveer drie are en vijf en zeventig centiare (...), en eveneens eenop het terrein afgepaald gedeeltevan nummer [sectie 1] ter grootte van ongeveer veertien centiare”(onderstreping door de rechtbank).
“ter grootte van ongeveer…”).
grief VIIIis dan ook gegrond. Dit doet echter niet af aan de (onbetwiste) juistheid van voormeld oordeel, dat overigens bevestiging vindt in de door [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep in het geding gebrachte mailwisseling van 14 januari 2025 tussen haar advocaat en de betrokken landmeter.
grieven I tot en met VI, die tezamen kunnen worden behandeld, houden in dat de rechtbank in de overwegingen 4.21 en volgende van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld, samengevat, dat de grens van het erf waarvan [appellant 2] op 3 januari 1978 eigenaar is geworden, gelijk is aan de kadastrale grens, omdat hem met de leveringsakte van 3 januari 1978 het op het terrein afgepaalde gedeelte is geleverd, en dat er geen aanleiding bestaat de juridische grens tussen de percelen van partijen vast te stellen overeenkomstig de kaart die aan de koopakte van 7 november 1977 was gevoegd, zoals onder 2 (i) weergegeven.
grief IXkomen [appellanten] op tegen (naar zal zijn bedoeld) overweging 4.32 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de erfafscheiding moet worden geplaatst op de plek waar op 3 januari 1978 de afpaling aanwezig was, te weten de huidige kadastrale grens. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het met deze grief bestreden oordeel van de rechtbank juist is. Er bestaat, als gezegd, geen aanleiding te veronderstellen dat er op 3 januari 1978 twee afpalingen aanwezig waren, laat staan dat een van die afpalingen dan liep over de door [appellanten] voorgestane grens. De grief faalt dus.
€ 2.428,00(twee punten tarief II)