De zaak betreft een huurgeschil waarbij [appellant] een woning huurde van een zorgverlener ([bedrijf]), die op haar beurt huurde van woningcorporatie Stadgenoot. [appellant] ervoer geluidsoverlast van haar bovenburen en vorderde van [bedrijf] en Stadgenoot maatregelen, schadevergoeding en 50% huurvermindering.
De kantonrechter wees de vorderingen af omdat onrechtmatige overlast niet was vastgesteld. In hoger beroep handhaafde het hof dit oordeel. Hoewel [appellant] een geluidsrapport overlegde, betwistte [bedrijf] de onafhankelijkheid en representativiteit van het onderzoek. Het hof vond de overgelegde bewijzen onvoldoende om onrechtmatige overlast aan te nemen.
Daarnaast was [appellant] in september 2024 verhuisd, waardoor zij haar vordering tot maatregelen had ingetrokken. De vordering tot huurvermindering was alleen tegen [bedrijf] ingesteld. Stadgenoot was niet verschenen en verstek verleend. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde [appellant] in de proceskosten en wees het meer of anders gevorderde af.