Het geschil betreft een huurachterstand van €7.006,08 door de huurders sinds september 2022, die zij niet betaalden wegens vermeende tekortkomingen van verhuurder Eigen Haard in het nakomen van haar verplichtingen. De huurders vorderen in hoger beroep een hogere immateriële schadevergoeding dan de €6.000 die de kantonrechter toekende vanwege ernstige overlast en onveiligheid.
Eigen Haard betwist tekortkomingen en stelt dat de huurders onvoldoende bewijs leverden voor hun schade en dat het causale verband ontbreekt. Het hof oordeelt dat de gegrondheid van het verweer van de huurders niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld, waardoor verrekening niet mogelijk is. De vordering tot betaling van de volledige huurachterstand en incassokosten wordt daarom toegewezen.
De huurders worden niet-ontvankelijk verklaard in hun tegenvordering, en zij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover het de huurachterstand, incassokosten en proceskosten betreft, en het hof spreekt opnieuw recht met volledige toewijzing van de vordering van Eigen Haard.