In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2022 bevestigd wat betreft de bewezenverklaring van het medeplegen van belastingfraude en valsheid in geschrift. De verdachte had hoger beroep ingesteld, evenals het openbaar ministerie. Tijdens de zitting op 16 oktober 2025 zijn procesafspraken gemaakt en bevestigd door beide partijen, waarbij de verdachte afstand deed van verweren en cassatie.
De rechtbank had een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met proeftijd, een taakstraf van 180 uur en een beroepsverbod van drie jaar opgelegd. Het hof vernietigde de strafoplegging en legde op basis van de procesafspraken een taakstraf van 120 uur op, te vervangen door 60 dagen hechtenis bij niet-nakoming.
De feiten betreffen het valselijk opmaken van belastingaangiften voor diverse belastingplichtigen en het opzettelijk onjuist doen van eigen aangiften over een periode van bijna vijfeneenhalf jaar, waardoor de Staat ernstig is benadeeld. Het hof hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat de verdachte bezig is met betaling van navorderingsaanslagen en geen nieuwe feiten heeft gepleegd. Daarom achtte het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf niet nodig.
De straf is gebaseerd op artikelen uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 oktober 2025.