ECLI:NL:GHAMS:2025:314
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing van ontruiming na ontbinding huurovereenkomst
In deze zaak vorderen appellanten schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis waarin de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden en ontruiming van de woning heeft bevolen. Het hof overweegt dat schorsing alleen kan worden toegewezen bij een kennelijke misslag of nieuwe feiten die een ander oordeel rechtvaardigen.
Appellanten stelden dat het vonnis een kennelijke misslag bevat en dat zich na het vonnis nieuwe feiten hebben voorgedaan, waaronder verklaringen van buren en een sociaal werker, verbruiksgegevens en medische omstandigheden. Het hof oordeelt dat deze feiten niet nieuw zijn of reeds door de kantonrechter zijn meegewogen en dat geen sprake is van een kennelijke misslag.
Het hof benadrukt dat de inhoudelijke beoordeling van het vonnis in deze incidentprocedure niet aan de orde is en dat de belangenafweging van de kantonrechter niet onjuist is. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis tot ontruiming wordt afgewezen.