ECLI:NL:GHAMS:2025:314

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
200.348.721
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot schorsing van ontruiming na ontbinding huurovereenkomst

In deze zaak vorderen appellanten schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis waarin de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden en ontruiming van de woning heeft bevolen. Het hof overweegt dat schorsing alleen kan worden toegewezen bij een kennelijke misslag of nieuwe feiten die een ander oordeel rechtvaardigen.

Appellanten stelden dat het vonnis een kennelijke misslag bevat en dat zich na het vonnis nieuwe feiten hebben voorgedaan, waaronder verklaringen van buren en een sociaal werker, verbruiksgegevens en medische omstandigheden. Het hof oordeelt dat deze feiten niet nieuw zijn of reeds door de kantonrechter zijn meegewogen en dat geen sprake is van een kennelijke misslag.

Het hof benadrukt dat de inhoudelijke beoordeling van het vonnis in deze incidentprocedure niet aan de orde is en dat de belangenafweging van de kantonrechter niet onjuist is. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord.

Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis tot ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.348.721/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10991178 \ CV EXPL 24-762
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 februari 2025
inzake

1.[appellant 1] ,

2. [appellant 2] ,
beide wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. M. Hoefs te Alkmaar,
tegen
STICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,
gevestigd te Alkmaar,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M.J. Dekker te Alkmaar.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] (ieder afzonderlijk [appellant 1] en [appellant 2] ) en Woonwaard genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding, met producties, van 2 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie: Alkmaar) van 30 oktober 2024, onder bovenstaand zaaknummer gewezen tussen Woonwaard als eiseres en [appellanten] als gedaagden.
De dagvaarding bevat de grieven en een incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellanten] hebben in het incident gevorderd de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor zover het betreft de veroordeling tot ontbinding en ontruiming, zoals beslist onder 5.1 en 5.2 van het bestreden vonnis, te schorsen, met veroordeling van Woonwaard in de kosten van het incident.
De zaak is aangebracht op de rol van 10 december 2024. Op deze datum hebben [appellanten] overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd.
Bij antwoordconclusie in het incident van 31 december 2024 heeft Woonwaard geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident, met de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2.Beoordeling

2.1
Kort samengevat kan voor zover in het incident van belang van het volgende worden uitgegaan. [appellant 1] huurt van Woonwaard sinds 29 oktober 1999 een woning (hierna: de woning). [appellant 2] is van rechtswege medehuurder.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbonden en [appellanten] veroordeeld de woning binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen en ter vrije beschikking van Woonwaard te stellen.
De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard na verwerping van het verweer van [appellanten] hiertegen. De kantonrechter heeft daartoe de belangen van partijen tegen elkaar afgewogen en geconcludeerd dat de persoonlijke en financiële belangen van [appellanten] niet zwaar genoeg wegen om af te zien van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring.
2.2
Kort gezegd hebben [appellanten] ter onderbouwing van hun incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging het volgende aangevoerd. Het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag. Daarnaast hebben zich na het bestreden vonnis feiten en omstandigheden voorgedaan die van belang zijn en in hoger beroep tot een ander oordeel kunnen en zullen leiden. Tot slot hebben [appellanten] aangevoerd dat de ontruiming onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat niet valt in te zien waarom de uitspraak in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
2.3
Woonwaard heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.4
Het hof stelt het volgende voorop. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter gemotiveerd waarom zij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [appellanten] aan hun verzoek om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad alleen ten grondslag kunnen leggen dat het bestreden vonnis een kennelijke misslag bevat of dat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de kantonrechter bij het nemen van haar beslissing niet in aanmerking kon nemen omdat zij zich pas na haar uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
2.5
[appellanten] hebben aangevoerd dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan hun stelling dat toewijzing van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad in strijd is met de huurbescherming die de wetgever aan een huurder van woonruimte heeft toegekend. Verder heeft de kantonrechter volgens [appellanten] ten onrechte nagelaten om [appellanten] in de gelegenheid te stellen hun stellingen te bewijzen en heeft de kantonrechter op diverse punten een onjuist toetsingskader en een onjuiste bewijslastverdeling gehanteerd. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [appellanten] ook naar de inhoud van hun grieven.
2.6
Duidelijk is dat [appellanten] het inhoudelijk niet eens zijn met het oordeel van de kantonrechter. Voor zover [appellanten] hun incidentele vordering echter baseren op inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden vonnis gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. De stellingen van [appellanten] leiden niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘kennelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak het geval is, is niet gebleken. Hetgeen [appellanten] over de huurbescherming van huurders van woonruimte in relatie tot de uitvoerbaarheid bij voorraad hebben opgemerkt, helpt hen niet verder, omdat de wet die vorm van bescherming nu eenmaal niet biedt in een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst. De overige argumenten van [appellanten] zouden het hof nopen tot een ver gaande inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de kantonrechter, waarvoor in dit incident geen plaats is.
2.7
Verder hebben [appellanten] gesteld dat zich na het bestreden vonnis nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, te weten:
- het naar voren komen als getuige van de buren, die verklaren dat de zoon van [appellanten] wel degelijk verantwoordelijkheid voor de woning heeft gedragen tijdens de afwezigheid van [appellanten] ;
- een verklaring van de zoon van [appellanten] waarin dat wordt onderschreven;
- verbruiksgegevens van Vattenfall, waaruit blijkt dat er in de periode dat [appellanten] afwezig waren gas is verbruikt;
- het huidige beleid van Woonwaard ten aanzien van huisbewaring, waaruit volgt dat geen gegronde reden meer noodzakelijk is voor toewijzing van een dergelijk verzoek;
- de kwetsbare situatie van de meerderjarige dochter van [appellanten] , die al geruime tijd bij [appellanten] inwoont;
- de brief van Woonwaard van 20 november 2024, waaruit blijkt dat zij geen positieve huurdersverklaring wil verstrekken;
- het exploot van 5 november 2024 van de deurwaarder, waaruit volgt dat Woonwaard daadwerkelijk gebruik zal maken van haar recht om te ontruimen waardoor [appellanten] na 4 februari 2025 dakloos zullen zijn;
- de verklaring van sociaal werker [appellanten] van MET in haar brief van 30 november 2024 over de kwetsbaarheid van het gezin en de noodzakelijke steun waarop zij eens temeer zijn aangewezen en die komt te ontvallen als [appellanten] het gehuurde dienen te verlaten;
- de opname van [appellant 2] op 29 november 2024 in het ziekenhuis.
Een aantal van voornoemde stukken dateert van latere datum dan het bestreden vonnis. Daaruit blijken echter geen nieuwe argumenten, feiten en/of omstandigheden die zich na de uitspraak van de kantonrechter hebben voorgedaan en die bij het nemen van de beslissing in eerste aanleg niet in aanmerking konden worden genomen. [appellanten] hebben bij hun verweer in eerste aanleg vergelijkbare argumenten aangevoerd. Deze feiten en omstandigheden heeft de kantonrechter al meegewogen bij haar belangenafweging die heeft geleid tot het oordeel om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, of hadden in ieder geval door de kantonrechter kunnen worden meegewogen omdat ze niet pas na het vonnis zijn opgekomen.
Dat, zoals [appellanten] hebben gesteld - en door Woonwaard overigens is betwist - voor een verzoek tot huisbewaring volgens het nieuwe beleid van Woonwaard geen gegronde reden meer noodzakelijk is, is geen omstandigheden die een nieuwe beoordeling ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad rechtvaardigt. Ten aanzien van het argument dat [appellant 2] op 29 november 2024 in het ziekenhuis is opgenomen, geldt dat zonder een nadere toelichting en onderbouwing van de reden voor en de duur van die opname deze na het bestreden vonnis opgekomen omstandigheid geen grond kan vormen voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
2.8
Het hof begrijpt dat een ontruiming voor [appellanten] zeer ingrijpend is. Dit kan op zichzelf echter niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging leiden. Dat geldt ook voor het betoog van [appellanten] dat een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan en niet valt in te zien waarom de uitspraak in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Aan een (nieuwe) belangenafweging komt het hof niet toe.
2.9
De vordering in het incident zal worden afgewezen. Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
2.1
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door Woonwaard.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2025 voor het nemen van een memorie van antwoord door Woonwaard;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.C.W. Rang en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.