ECLI:NL:GHAMS:2025:3226

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.358.493
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep faillietverklaring en terugkoopverplichting in factoringovereenkomst

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot faillietverklaring van geïntimeerde. Het verzoek is afgewezen omdat de vordering van appellante op geïntimeerde, die voortvloeit uit een terugkoopverplichting in de factoringovereenkomst (Supplier Discount Facility Agreement, SDFA), niet summierlijk is gebleken. Partijen zijn het erover eens dat deze vordering naar Duits recht moet worden beoordeeld, wat inhoudt dat de voorwaarden van artikel 11 van de SDFA van toepassing zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende ruimte is in de faillissementsprocedure om de juridische waardering van de feiten en omstandigheden te maken die nodig zijn om te bepalen of aan de voorwaarden voor terugkoop is voldaan. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd, waarbij het verzoek van appellante tot faillietverklaring is afgewezen. Het hof heeft vastgesteld dat de vordering van appellante niet summierlijk is gebleken en dat er geen andere vorderingen van schuldeisers zijn die aan de vereisten voor faillietverklaring voldoen. De overige stellingen van partijen zijn niet besproken omdat ze niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. De kosten van het geding in hoger beroep zijn voor rekening van appellante, die als in het ongelijk gestelde partij is veroordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.358.493/01
zaak-/rekestnummer rechtbank : C/13/769555 / FT RK 25/454
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 november 2025
inzake
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. G.H.A. Ruggeri-Laderchi te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: eerst mr. N.E. Koelemaij te Assen, thans mr. W.J.M. Sprangers te Amersfoort.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 27 augustus 2025, in hoger beroep gekomen van de onder bovenvermeld zaak-/rekestnummer gegeven beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2025 waarbij het verzoek van [appellant] strekkende tot faillietverklaring van [geïntimeerde] is afgewezen (hierna: de bestreden beschikking).
Op 19 september 2025 is ter griffie van het hof ingekomen een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van [geïntimeerde] tevens houdende (beperkt) incidenteel beroep.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 18 november 2025. Bij die behandeling zijn namens [appellant] verschenen mr. Ruggeri-Laderchi voornoemd en mr. I.S Oosterhoff, advocaat te Amsterdam . Namens [geïntimeerde] zijn verschenen H.S. van Oosterum en G.M.D. Smink, beiden bestuurder, bijgestaan door mr. Sprangers voornoemd.
Partijen hebben de zaak laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en het verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerde] . Partijen hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft aan haar inleidende verzoek tot faillietverklaring van [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij een vordering heeft op [geïntimeerde] van € 993.410,00. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat uit een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2024 volgt dat Laured B.V. (hierna: Laured) een vordering heeft op [geïntimeerde] van € 306.504,63. Omdat [geïntimeerde] beide vorderingen onbetaald laat, verkeert zij volgens [appellant] in de toestand van opgehouden te betalen. Nadat [geïntimeerde] gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij gelet op de uitvoerige standpunten van partijen en het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] zowel het vorderingsrecht van [appellant] als de toestand van opgehouden te betalen niet summierlijk kan vaststellen. Daarvoor is nader onderzoek nodig waarvoor de faillissementsprocedure geen ruimte biedt, aldus de rechtbank.
2.2.
[appellant] verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog in staat van faillissement te verklaren. Zij legt daaraan, samengevat, het volgende ten grondslag. [geïntimeerde] heeft vorderingen (op derden) verkocht aan [bedrijf] . (hierna: [bedrijf] ) op basis van een tussen hen op 16 november 2021 gesloten factoringovereenkomst getiteld
Supplier Discount Facility Agreement(hierna SDFA). [bedrijf] heeft hiervoor een bedrag van € 850.000,00 betaald aan [geïntimeerde] . Omdat de vorderingen op Allianz en Felixx niet werden betaald door deze schuldenaren, heeft [bedrijf] de terugkoopoptie als bedoeld in artikel 11 van de SDFA ingeroepen. Op grond hiervan was [geïntimeerde] gehouden tot terugbetaling van de betaalde koopsom van € 850.000,-. Nadat [bedrijf] op eigen aangifte in staat van faillissement was verklaard, heeft de curator in dat faillissement de vordering van [bedrijf] op [geïntimeerde] gecedeerd aan [appellant] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de vordering erkend, maar voldoet zij deze desondanks niet. [appellant] betwist dat [geïntimeerde] een tegenvordering heeft waarmee zij de vordering van [appellant] kan verrekenen. [appellant] meent dat [geïntimeerde] verkeert in een toestand van opgehouden te betalen, hetgeen mede blijkt uit de omstandigheid dat zij ook een vordering van Laured al geruime tijd onbetaald laat.
2.3.
[geïntimeerde] betwist dat [appellant] een vordering op haar heeft. Zij voert daartoe aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 11 van de SDFA waardoor [appellant] geen recht van terugkoop kan ontlenen aan deze bepaling. Zo staat in artikel 11.3 van de SDFA weliswaar dat een gebrekkige vordering kan leiden tot een recht van terugkoop, maar uit niets blijkt dat dit recht is uitgeoefend. [geïntimeerde] weet niet of schuldenaren vorderingen onbetaald hebben gelaten, met andere woorden of er sprake is van gebrekkige vorderingen (
defect). Zij heeft daar geen zicht op. Bovendien kwam de incasso van vorderingen voor rekening van [bedrijf] . Zij diende zich in te spannen om de vorderingen te incasseren. [geïntimeerde] weet niet of [bedrijf] dat heeft gedaan. Daarnaast is in artikel 11.4 van de SDFA een informatieverplichting opgenomen waaraan evenmin is voldaan. Tevens heeft [bedrijf] de contractuele termijnen geschonden van de artikelen 10 en 11 van de SDFA en/of (niet tijdig) bewijs overgelegd dat [geïntimeerde] is geïnformeerd omtrent de nominale waarde van de desbetreffende vordering. Ook van een Credit Insurance Policy is niet gebleken, hoewel artikel 9 van de SDFA dat voorschrijft. [geïntimeerde] voert voorts aan dat de overdracht van de vordering van [bedrijf] aan [appellant] door middel van een cessieverklaring bij de Belastingdienst had moeten worden gedeponeerd hetgeen ook niet is geschied. Daarbij komt dat de bijlage bij de akte van cessie niet leesbaar is. Verder voert [geïntimeerde] aan dat op de SDFA Duits recht van toepassing is verklaard en dat dit betekent dat de door [appellant] gestelde vordering in een bodemprocedure door een Duitse rechter dient te worden beoordeeld waarbij niet is uitgesloten dat naar Duits recht meer of andere verweren kunnen worden gevoerd. [geïntimeerde] heeft bovendien een aanzienlijke verrekenbare tegenvordering van 62,4 miljoen euro voortvloeiend uit het toerekenbaar tekortschieten van [bedrijf] uit hoofde van de SDFA. Cruciale informatie over [bedrijf] is immers niet gedeeld met [geïntimeerde] .
Met betrekking tot de gestelde steunvordering van Laured voert [geïntimeerde] aan dat deze vordering weliswaar is toegewezen in een kort geding procedure maar dat zij die vordering in een bodemprocedure alsnog zal aanvechten. [geïntimeerde] concludeert op grond van het voorgaande tot afwijzing van het verzoek van [appellant] met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties. Aangezien in eerste aanleg de proceskostenveroordeling jegens [appellant] is afgewezen, is, voor zover nodig, in dat kader incidenteel appel ingesteld, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
2.4.
Het hof overweegt als volgt. Voor zover [geïntimeerde] ook in hoger beroep de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist om kennis te nemen van het onderhavige verzoek, gaat het hof aan die betwisting voorbij. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank daaromtrent. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
2.5.
Op grond van artikel 6 lid 3 van de Faillissementswet (Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake dient te zijn van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.
2.6.
De vordering van [appellant] die aan het verzoek tot faillietverklaring ten grondslag is gelegd, is een vordering die [appellant] ontleent aan artikel 11 van de SDFA. Anders dan [appellant] stelt, heeft [geïntimeerde] de gestelde vordering niet erkend. [geïntimeerde] heeft slechts erkend dat zij een bedrag van € 850.000,- heeft ontvangen van [bedrijf] voor de verkoop van de vordering. [geïntimeerde] betwist dat [appellant] op grond van artikel 11 van de SDFA een vordering kan doen gelden jegens haar. De omstandigheid dat de bestuurder van [geïntimeerde] heeft verklaard dat de toenmalig bestuurder van [bedrijf] op 1 april 2022 een voorstel zou doen voor een overbruggingskrediet (‘bridge loan’) van 3 miljoen euro waarbij
€ 850.000,- zou worden afgefinancierd in verband met een eventuele terugbetalings-verplichting tot dit bedrag, leidt niet tot een ander oordeel omdat hieruit niet volgt dat [geïntimeerde] heeft erkend dat zij gehouden tot terugkoop van de vordering. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 11 van de SDFA naar Duits recht moet worden uitgelegd. Dat betekent dat de vraag of [appellant] zich met succes kan beroepen op een vordering uit hoofde van de in de SDFA neergelegde verplichting tot terugkoop, met toepassing van Duits recht dient te worden getoetst aan de voorwaarden genoemd in artikel 11 van de SDFA. De juridische waardering van de relevante feiten en omstandigheden en de beantwoording van de vraag of door [bedrijf] en/of [appellant] is voldaan aan de voorwaarden die artikel 11 van de SDFA stelt voor het ontstaan van het recht van terugkoop jegens [geïntimeerde] , dient in dat kader plaats te vinden. De onderhavige faillissementsprocedure biedt daartoe onvoldoende ruimte. Dit betekent dat thans niet kan worden gezegd dat summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van [appellant] . Daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring zodat het verzoek van [appellant] ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. 2.7. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking omdat die niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
2.8.
De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek van [appellant] tot faillietverklaring is afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg is afgewezen. [appellant] zal alsnog in die kosten worden veroordeeld. Het daartoe ingestelde incidenteel appel slaagt derhalve. De proceskosten worden overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief berekend, een en ander als hierna volgt.
Eerste aanleg:
- griffierecht € 714,-
- salaris advocaat
€ 1.228,-(tarief II, 2 punten x € 614,- )
Totaal € 1.942 ,-
Hoger beroep:
- griffierecht € 827,-
- salaris advocaat
€ 2.428,-(tarief II, 2 punten x € 1.214,-)
Totaal € 3.255,-

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten is afgewezen, en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 714,- voor vastrecht en € 1.228,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,- voor vastrecht en € 2.428,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, K. van Dijk en L.Th.L.G. Pellis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Van deze beschikking kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.