ECLI:NL:GHAMS:2025:3233

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.323.465/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 lid 1 BWArt. 5:74 BWArt. 5:78 BWArt. 6:217 BWArt. 3:33 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burengeschil over schutting, recht van overpad en parkeerverbod

Partijen zijn buren met een geschil over het plaatsen van een schutting, het recht van overpad en een verbod om te parkeren of voorwerpen te plaatsen op het perceel van appellant. Het hof bevestigt dat appellant een schutting mag plaatsen op eigen grond tot aan de voorgevel van geïntimeerde. De doorgang voor het recht van overpad moet vrij en onbelemmerd blijven, maar het hof wijst een dwangsom af.

De erfdienstbaarheid bestaat sinds 1995 en voorziet in een strook van zes meter breed voor toegang. Appellant wilde de schutting verder door laten lopen, maar het hof oordeelt dat dit niet is toegestaan omdat de erfdienstbaarheid een doorgang van zes meter breed garandeert. De afspraken over onderhoud en materiaal van de schutting zijn niet als bindende overeenkomst aangemerkt.

Het hof wijst het verbod voor geïntimeerde af om het perceel van appellant te betreden of daar voertuigen te plaatsen, omdat onvoldoende belang is aangetoond. Het hof vernietigt delen van het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering toe dat appellant een vrije doorgang moet garanderen zonder dwangsom, en compenseert de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt het recht van appellant om een schutting te plaatsen tot aan de voorgevel en veroordeelt hem tot het garanderen van een vrije onbelemmerde doorgang zonder dwangsommen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.323.465/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/326121/HA ZA 22-173
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [gemeente 1] ,
appellant,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. R. Muurlink te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [gemeente 1] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: mr. A.A. de Jong te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren. Zij hebben een geschil over een schutting, een recht van overpad en een verbod om te parkeren en voorwerpen te plaatsen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat door de één een schutting mag worden opgericht op eigen grond tegen de erfgrens aan tot aan de voorgevel van de ander en dat de doorgang voor het recht van overpad vrij en onbelemmerd moet zijn, maar wel iets moet worden aangepast ten opzichte van het vonnis. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat niet is gebleken dat bij een verbod om te parkeren of voorwerpen te plaatsen voldoende belang bestaat. Voor een dwangsom ziet het hof geen aanleiding.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 17 januari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 oktober 2022 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens akte tot vermindering van eis;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met eiswijziging en producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
Op 9 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De voornoemde advocaten en namens [geïntimeerde] daarnaast mr. F.A.M. Rothstegge (advocaat te Amsterdam) hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben inlichtingen verstrekt en vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn buren van elkaar.
3.3.
[appellant] woont sinds 1995 aan de [adres 1] te [gemeente 1] . [geïntimeerde] woont sinds 2019, vanaf de [adres 1] gezien, rechts naast hem, aan de [adres 1] te [gemeente 1] . [geïntimeerde] heeft deze woning na het overlijden van zijn vader betrokken.
3.4.
Het terrein waarop partijen woonachtig zijn is een voormalig werkterrein van het leger (het magazijnencomplex). In 1995 is dit terrein kadastraal gesplitst in vier percelen. Op elk perceel is een zelfstandig pand gebouwd, twee woningen aan de voorzijde en twee woningen aan de achterzijde. De woningen van partijen bevinden zich aan de achterzijde van het terrein.
3.5.
Er is op het terrein één ontsluiting naar de [adres 1] aangelegd. In de notariële akte van 15 november 1995 van de koop van het perceel [adres 1] door [appellant] (van de toenmalige [gemeente 2] ) is het volgende bepaald over erfdienstbaarheid:
De comparanten (…) verklaarden bij deze te vestigen: ten behoeve en ten laste van het verkochte enerzijds en ten behoeve en ten laste van de naastgelegen percelen (…) een recht van overpad uit te oefenen over het aangelegde of nog aan te leggen pad, teneinde te komen van- en te gaan naar de openbare wegen, genaamd [adres 1] en [adres 2] .
3.6.
Sinds 1995 wordt de erfdienstbaarheid ten gunste van [appellant] en [geïntimeerde] ingevuld op een wijze waarop zij vanaf de [adres 1] de beschikking hebben over een strook grond van zes meter breed. Het betreft het middelste gedeelte tussen de percelen van [adres 1] (hierna: het middenterrein), dat in totaal achttien meter bedraagt.
3.7.
Bij brief van 25 augustus 2021 heeft (de advocaat van) [appellant] aan [geïntimeerde] voorgesteld om de in 3.5 weergegeven erfdienstbaarheid op te heffen en tussen hun percelen een erfafscheiding te realiseren. [geïntimeerde] heeft op 28 september 2021 geantwoord dat hij niet akkoord gaat met de voorgestelde opheffing, maar dat hij geen bezwaar zal maken als [appellant] een erfafscheiding realiseert, op voorwaarde dat deze:
- vanaf de achtergrens van zijn perceel niet verder strekt dan de voorgevel van zijn pand;
- op zijn eigen kosten op zijn eigen perceel wordt geplaatst en onderhouden;
- niet uit beplanting bestaat;
- aan de kant van [geïntimeerde] onderhoudsvrij is.
3.8.
Bij e-mail van 11 oktober 2021 heeft (de advocaat van) [appellant] aan [geïntimeerde] bericht bereid te zijn met deze voorwaarden akkoord te gaan, maar dat hij overweegt een gerechtelijke procedure te starten tot het opheffen van de erfdienstbaarheid van weg, omdat [geïntimeerde] niet akkoord is gegaan met beëindiging van de erfdienstbaarheid en met het volledig doortrekken van de schutting tot de erfgrens aan de voorzijde.
3.9.
Bij e-mail van 23 december 2021 heeft (de advocaat van) [appellant] desgevraagd herhaald dat de schutting zal worden opgericht conform het akkoord van [geïntimeerde] , dus tot de voorgevel van het pand van [appellant] . Daarbij is [geïntimeerde] niettemin verzocht in te stemmen met het doortrekken van de schutting zodanig dat er aan de voorzijde van [appellant] perceel een ruimte overblijft van vijf meter. [geïntimeerde] heeft deze instemming niet gegeven.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat [appellant] gerechtigd is een hek te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [geïntimeerde] , dat zo naar voren doorloopt dat, bezien vanaf de perceelsgrens van [appellant] aan de voorzijde van zijn perceel, een doorgang overblijft van vijf meter aan het eind van dit hekwerk tot aan de perceelsgrens;
- [geïntimeerde] verbiedt om het perceel van [appellant] te betreden, dan wel hierop materialen en voertuigen te plaatsen, anders dan in het kader van gebruikmaking van de erfdienstbaarheid om over het pad van de erfdienstbaarheid te komen en te gaan naar of van zijn erf van c.q. naar de openbare weg, zulks op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van
€ 500,- voor iedere overtreding en voor elke dag dat deze overtreding voortduurt;
één en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft in reconventie, samengevat en voor zover in hoger beroep relevant, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- [appellant] veroordeelt om op het middenterrein, voor zover in zijn eigendom, te allen tijde een vrije onbelemmerde doorgang ten behoeve van het perceel van [geïntimeerde] te garanderen en dus het op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening roze gearceerde deel van het middenterrein, alsook het geel gearceerde deel vermeld op de door [geïntimeerde] overgelegde simulaties te allen tijde volledig vrij te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding en
€ 500,- voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met nakosten en rente.
4.3.
De rechtbank heeft in conventie de gevorderde verklaring voor recht toegewezen, in die zin dat [appellant] gerechtigd is tussen de woningen vanaf de achtergrens van zijn perceel een schutting te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [geïntimeerde] doorlopend tot een punt, gelegen loodrecht op de voorgevel van het pand van [geïntimeerde] . Het in conventie gevorderde verbod voor [geïntimeerde] om het perceel van [appellant] te betreden en op het perceel van [appellant] materialen en voertuigen te plaatsen anders dan in het kader van uitoefening van de erfdienstbaarheid, is ook toegewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke overtreding tot een maximum van € 5.000,-. In reconventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om het roze gearceerde vlak op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening op zijn perceel volledig vrij te laten, zodat [geïntimeerde] te allen tijde een vrije onbelemmerde doorgang heeft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke overtreding tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. De rechtbank heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering die strekt tot een verklaring voor recht gewijzigd. Hij vordert nu dat voor recht wordt verklaard dat hij gerechtigd is een hek te plaatsen op zijn eigen grond tegen de erfgrens dat naar voren zover doorloopt dat tussen de perceelsgrens van de percelen [adres 1] een doorgang van zes meter overblijft.
[appellant] vordert in principaal hoger beroep dat het bestreden vonnis gedeeltelijk zal worden vernietigd en dat - uitvoerbaar bij voorraad - zijn in hoger beroep gewijzigde vordering zal worden toegewezen en de vordering in reconventie zal worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het principaal hoger beroep.
5.2.
[geïntimeerde] heeft zijn vorderingen ook gewijzigd. Hij vordert nu, enigszins samengevat:
- een verklaring voor recht dat als een schutting wordt geplaatst, die moet voldoen aan de afspraken van 11 oktober 2021, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding tot een maximum hoger dan € 5.000,-;
- een veroordeling van [appellant] om op het middenterrein, voor zover zijn eigendom, een vrije onbelemmerde doorgang te garanderen, en dus in elk geval het op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening roze gearceerde deel en het geel gearceerde deel vermeld op de door [geïntimeerde] overgelegde simulaties te allen tijde volledig vrij te laten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding tot een maximum hoger dan € 5.000,-;
- een veroordeling van [appellant] tot betaling van € 5.000,- aan verbeurde dwangsommen.
[geïntimeerde] concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en vordert in principaal en incidenteel hoger beroep dat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen en - uitvoerbaar bij voorraad - zijn tegenvorderingen worden toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.3.
[appellant] vordert in incidenteel hoger beroep dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen, met, naar het hof begrijpt, veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
5.4.
[geïntimeerde] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen.

6.Beoordeling

Erfdienstbaarheid: schutting en vrijlaten doorgang
6.1.
De
grieven 1 en 2 in principaal hoger beroepen
grief 1 in incidenteel hoger beroeplenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zowel grief 1 in principaal hoger beroep als grief 1 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de verklaring voor recht dat [appellant] gerechtigd is tussen de woningen vanaf de achtergrens van zijn perceel een schutting te plaatsen op eigen grond tegen de erfgrens van het perceel van [geïntimeerde] doorlopend tot een punt, gelegen loodrecht op de voorgevel van het pand van [geïntimeerde] . [appellant] stelt dat na realisering van de schutting op deze wijze een ruimte overblijft van zeven en een halve meter, terwijl de erfdienstbaarheid steeds zo is ingevuld dat het recht van overpad zes meter breed is. [appellant] vordert daarom dat voor recht wordt verklaard dat hij de schutting nog anderhalve meter verder naar voren mag doortrekken. Volgens [geïntimeerde] hebben partijen op 11 oktober 2021 volledige overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder [appellant] een schutting mag plaatsen en moeten die afspraken worden nagekomen. Grief 2 in principaal hoger beroep is gericht tegen de beslissing dat [appellant] op straffe van een dwangsom het roze gearceerde vlak op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening op zijn perceel volledig vrij moet laten. [appellant] voert aan dat het roze gearceerde vlak op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening een lengte van zeven en een halve meter en een breedte van zeven en een halve meter heeft en aldus een te vergaande en onredelijke beperking oplevert.
6.2.
Tot hoe ver een schutting tussen de percelen van partijen mag doorlopen aan de voorzijde en of en in hoeverre [appellant] een doorgang moet vrijlaten, hangt af van de inhoud van de erfdienstbaarheid. Op grond van art. 5:73 lid 1 BW Pro worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan bepaald door de akte van vestiging en als daarin regels ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. In geval van twijfel is beslissend de wijze waarop de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw is uitgeoefend.
6.3.
Voor een notariële akte die strekt tot het vestigen van een beperkt recht, zoals hier aan de orde is, geldt een bijzondere uitlegregel. Het komt dan aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
6.4.
Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt. In de akte staat niets over de breedte van het overpad en over de plaatselijke gewoonte hebben partijen niets gesteld. Tussen partijen staat echter vast dat de erfdienstbaarheid gedurende ongeveer dertig jaar is ingevuld aldus dat [geïntimeerde] vanaf de [adres 1] op het middenterrein de beschikking heeft over een strook grond van zes meter breed (zie hiervoor onder 3.6). Tussen partijen is evenmin in geschil dat tot het bestreden vonnis tussen hun percelen geen schutting aanwezig was en de toegang vanaf het middenterrein via het perceel van [appellant] naar het perceel van [geïntimeerde] (en omgekeerd, de uitgang) vrij en onbelemmerd was. De reden dat de erfdienstbaarheid steeds op deze manier is ingevuld, houdt verband met de omstandigheid dat [geïntimeerde] (en voorheen zijn vader) op zijn perceel een atelier heeft waar hij grote kunstwerken maakt, zodat zijn perceel bereikbaar moet zijn voor voertuigen die deze kunstwerken kunnen vervoeren.
6.5.
De schutting van [appellant] bevindt zich vlakbij de plek waar [geïntimeerde] en zijn bezoekers een bocht moeten maken van ongeveer negentig graden als zij vanaf het middenterrein naar het perceel van [geïntimeerde] gaan en omgekeerd als zij vanaf het perceel van [geïntimeerde] naar het middenterrein gaan. [geïntimeerde] heeft (met stukken onderbouwd) uiteengezet dat een auto met aanhanger en een vrachtwagen meer ruimte nodig hebben dan een doorgang van zes meter breed om de draai te kunnen maken van en naar zijn perceel.
6.6.
[appellant] heeft hier op zijn beurt onvoldoende tegen ingebracht. Hij heeft namelijk alleen aangevoerd dat het recht van overpad overal 6 meter breed is en niet valt in te zien dat dit ter plaatse van de bocht anders moet zijn, grote transporten slechts incidenteel voorkomen en de bestemming van het perceel van [geïntimeerde] woning is. Deze stellingen miskennen bovendien dat niet in geschil is dat de erfdienstbaarheid geruime tijd op de hiervoor onder 6.4 weergegeven manier is ingevuld vanwege het gebruik van het perceel van [geïntimeerde] als woning en atelier, en dat een lang voertuig in de bocht (extra) ruimte nodig heeft (zie hiervoor onder 6.5).
6.7.
[appellant] heeft verder aangevoerd dat [geïntimeerde] ook een uitrit heeft naar de [adres 2] . Alhoewel de feitelijke toestand ter plaatse onder omstandigheden mag worden betrokken bij de uitleg van een ingeschreven notariële akte, is dat hier niet aan de orde, omdat tussen partijen vaststaat dat deze uitrit nog niet aanwezig was ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid.
6.8.
Het hof gaat verder voorbij aan de stelling van [appellant] dat een verlenging van de schutting is aangewezen vanwege visuele hinder. Uit hetgeen hiervoor onder 6.2-6.3 is overwogen, vloeit voort dat de gestelde visuele hinder geen rol kan spelen bij de uitleg van de erfdienstbaarheid of de vaststelling van de inhoud daarvan. Indien deze stelling aldus moet worden begrepen dat de erfdienstbaarheid volgens [appellant] moet worden gewijzigd, in de zin dat het recht van overpad moet worden versmald, geldt dat geen vordering tot wijziging van de erfdienstbaarheid is ingesteld (art. 5:78 BW Pro). Overigens heeft [geïntimeerde] de gestelde visuele hinder ook weersproken. Slotsom is dat grief 1 in principaal hoger beroep niet slaagt.
6.9.
Voor een geslaagd beroep op nakoming van de gestelde afspraak met betrekking tot de schutting (grief 1 incidenteel hoger beroep) is vereist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat is het geval wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt (art. 6:217 BW Pro). Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in dat verband van elkaar mochten verwachten (art. 3:33-3:35 BW).
6.10.
[appellant] heeft op 25 augustus 2021 een voorstel gedaan dat zag op zowel de opheffing van de erfdienstbaarheid als de oprichting van een schutting tot aan de erfgrens aan de voorzijde. Die onderdelen van het voorstel waren met elkaar verbonden, zoals blijkt uit het volgende citaat:
Het voorstel dat cliënt thans doet is dat wordt overeengekomen dat over en weer ten aanzien van beide percelen de erfdienstbaarheden worden opgeheven (…) Indien dit kan worden overeengekomen betekent dit dat er een erfafscheiding kan worden opgericht op de grens van beide percelen daar waar eerst de doorgang naar uw perceel van de [adres 1] plaatsvond.
6.11.
Gelet hierop moet de brief van [geïntimeerde] van 28 september 2021 worden aangemerkt als een nieuw aanbod, aangezien zijn brief afweek van het voorstel van [appellant] (zie hiervoor onder 3.7). [geïntimeerde] ging niet akkoord met opheffing van de erfdienstbaarheid en evenmin met het oprichten van een schutting tot aan de erfgrens aan de voorzijde. Daarnaast bevatte het voorstel van [geïntimeerde] nieuwe punten, namelijk het onderhoud en materiaal van de erfscheiding.
6.12.
In dat licht heeft [geïntimeerde] de e-mail van de advocaat van [appellant] van 11 oktober 2021 niet als een aanvaarding van zijn aanbod mogen opvatten. Weliswaar staat daarin dat [appellant] bereid is met de voorwaarde voor de erfafscheiding akkoord te gaan, maar er staat óók dat [appellant] overweegt een procedure te starten omdat [geïntimeerde] niet akkoord gaat met de opheffing van de erfdienstbaarheid en het doortrekken van de schutting tot de erfgrens aan de voorzijde. Uit deze mededelingen heeft [geïntimeerde] moeten begrijpen dat zijn aanbod deels wel maar deels (nog) niet akkoord was, terwijl voor [geïntimeerde] kenbaar was dat één en ander voor [appellant] met elkaar verbonden was. Slotsom is dat [geïntimeerde] aan de e-mail van 11 oktober 2021 niet de betekenis mocht toekennen van een aanvaarding, zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen en [geïntimeerde] geen beroep kan doen op nakoming. Grief 1 in incidenteel hoger beroep slaagt dus evenmin.
6.13.
Met betrekking tot het door [geïntimeerde] gevorderde gebod om een onbelemmerde vrije doorgang te garanderen (grief 2 principaal hoger beroep) geldt dat dit gebod toewijsbaar is voor zover die doorgang nodig is voor het kunnen uitoefenen van de erfdienstbaarheid (zie hiervoor onder 6.4 en 6.5).
6.14.
[appellant] heeft onweersproken aangevoerd dat het roze vlak op de door [geïntimeerde] overgelegde tekening een oppervlakte heeft van 7,5 * 7,5 meter. Volgens [geïntimeerde] is die extra ruimte nodig om in het kader van de erfdienstbaarheid te kunnen keren en manoeuvreren. Het hof volgt hem daarin niet. In de passage waarin de erfdienstbaarheid is beschreven zijn de woorden ‘komen’ en ‘gaan’ gebruikt. De woorden ‘keren’ of ‘manoeuvreren’ komen niet in deze passage voor en evenmin in de rest van de akte. Daaruit kan naar objectieve maatstaven worden afgeleid dat het niet de bedoeling is geweest om een recht van overpad te vestigen dat tevens inhoudt dat op het perceel van [appellant] door [geïntimeerde] zou mogen worden gekeerd en gemanoeuvreerd. Indien dat de bedoeling zou zijn geweest, ligt het in de rede dat dit in de akte zou zijn bepaald.
6.15.
Daarbij komt dat ingevolge art. 5:74 BW Pro de uitoefening van de erfdienstbaarheid moet plaatsvinden op de voor het dienende erf (hier: het perceel van [appellant] ) minst bezwarende wijze. Ook dat verzet zich ertegen dat [geïntimeerde] en zijn bezoekers het perceel van [appellant] gebruiken om te keren en te manoeuvreren.
6.16.
[geïntimeerde] heeft daarnaast nog verwezen naar geel gekleurde simulaties die hij heeft overgelegd en die volgens hem duidelijk maken welke doorgang hij nodig heeft. Hij heeft echter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld dat hij niet weet of deze simulaties op schaal zijn. [appellant] heeft deze simulaties bovendien gemotiveerd betwist.
6.17.
Gelet op een en ander zal het hof het gevorderde gebod in een aangepaste vorm toewijzen, namelijk zonder de verwijzing naar het roze vlak en de geel gekleurde simulaties op de tekeningen van [geïntimeerde] . Grief 2 in principaal hoger beroep slaagt aldus deels.
Verbod om het perceel van [appellant] te betreden of daarop voorwerpen te plaatsen
6.18.
Grief 2 in incidenteel hoger beroepis gericht tegen de toewijzing van het verbod voor [geïntimeerde] om het perceel van [appellant] te betreden, of hierop materialen en voertuigen te plaatsen, anders dan in het kader van gebruikmaking van de erfdienstbaarheid.
6.19.
[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat door [geïntimeerde] en zijn bezoekers auto’s op zijn perceel worden geparkeerd, vijf foto’s overgelegd waarop geparkeerde auto’s te zien zijn. Daaruit valt echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet de juistheid van zijn stelling af te leiden. Door wie en wanneer de auto’s zijn geparkeerd die op de vijf foto’s zijn te zien, volgt nergens uit. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij materialen of voertuigen op het perceel van [appellant] heeft geplaatst. Hij heeft daarnaast aangevoerd dat (i) hij zijn bezoekers zoveel mogelijk instrueert dat zij hun voertuigen moeten parkeren op zijn eigen perceel, (ii) bij hem geen overtredingen van zijn bezoekers bekend zijn, (iii) [appellant] hem daarover ook nooit heeft geïnformeerd en (iv) voor zover zich een enkel incident heeft voorgedaan, dit geen verbod rechtvaardigt. [appellant] heeft daartegen niets concreets ingebracht. Dat [appellant] voldoende belang heeft bij het door hem gevorderde verbod is bij deze stand van zaken niet gebleken. Het hof zal dit verbod daarom afwijzen.
Eisvermeerdering
6.20.
De eisvermeerdering van [geïntimeerde] ziet op de volgens [geïntimeerde] vanwege overtredingen van de veroordeling in 5.5 van het bestreden vonnis verbeurde dwangsommen en een verhoging van de dwangsom voor nieuwe overtredingen. Hiervoor kwam al aan de orde dat het hof de veroordeling in 5.5 van het bestreden vonnis zal vernietigen en in aangepaste vorm zal toewijzen. Daaraan zal geen dwangsom worden verbonden. Het hof is met [appellant] van oordeel dat het opleggen van een dwangsom niet in het belang is van beide partijen, omdat dit aanleiding kan zijn voor meer problemen tussen partijen en zij als buren daarbij niet zijn gebaat. Bovendien heeft [appellant] aangevoerd dat hij, naar het hof begrijpt, een veroordeling met betrekking tot de doorgang zal respecteren.
6.21.
Het hof vertrouwt erop dat indien partijen meer concreet willen (laten) vaststellen welke ruimte moet worden vrijgelaten ten behoeve van de erfdienstbaarheid, zij dit aan de hand van de uitgangspunten in deze uitspraak zouden moeten kunnen. De vorderingen van partijen geven hiervoor onvoldoende houvast.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.22.
Grief 1 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep hebben geen succes. Grief 2 in principaal hoger beroep slaagt deels en grief 2 in incidenteel hoger beroep slaagt ook. Het bestreden vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd en de veroordeling om de doorgang vrij te laten wordt in aangepaste vorm, zonder dwangsom, toegewezen. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] , omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Omdat partijen in principaal en incidenteel hoger beroep over en weer in het ongelijk worden gesteld, zullen ook de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

7.Beslissing

Het hof:
in principaal en in incidenteel hoger beroep
7.1.
vernietigt de beslissingen in het dictum van het bestreden vonnis onder 5.2, 5.3, 5.5 en 5.6, en doet in zoverre opnieuw recht:
7.2.
veroordeelt [appellant] om op het middenterrein voor zover in zijn eigendom te allen tijde een vrije onbelemmerde doorgang ten behoeve van het perceel van [geïntimeerde] te garanderen en die doorgang volledig vrij te laten, dat wil zeggen zonder obstructies, en daarop dus in ieder geval geen schutting, auto’s, materialen of andere objecten te plaatsen, voor zover die doorgang nodig is voor het kunnen uitoefenen van de erfdienstbaarheid;
7.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
7.4.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
7.5.
verklaart de veroordeling onder 7.2 uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. I. de Greef, mr. J.E. van der Werff en mr. E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.