ECLI:NL:GHAMS:2025:3236

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.331.519/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:113 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Juridische erfgrens tussen percelen vastgesteld, beroep op verjaring faalt

Het geschil betreft de juridische erfgrens tussen twee aangrenzende percelen, waarbij appellant stelt dat de erfgrens gelijk is aan de kadastrale grens, terwijl geïntimeerden zich beroepen op verkrijgende verjaring om een afwijkende grens te claimen.

De rechtbank wees de vorderingen van appellant af en oordeelde dat de erfgrens was komen vast te liggen door verjaring. Het hof vernietigt dit oordeel en overweegt uitgebreid het juridisch toetsingskader voor bezit en inbezitneming, waarbij het belang van openbaarheid en verkeersopvatting centraal staat.

Het hof concludeert dat de gronden voor inbezitneming door geïntimeerden onvoldoende zijn onderbouwd. De heg en schuttingen zijn niet geplaatst of onderhouden met de intentie om bezit te nemen, mede omdat er sprake was van overleg en toestemming van de rechtsvoorganger van appellant. De schutting is zelfs enkele malen verplaatst met instemming, wat het beroep op verjaring weerlegt.

Het hof wijst de vorderingen van appellant toe, verklaart de kadastrale grens als juridische erfgrens en veroordeelt geïntimeerden tot verwijdering van de schutting voor zover deze de grens overschrijdt, alsmede tot vergoeding van kosten en proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De juridische erfgrens wordt vastgesteld op de kadastrale grens en geïntimeerden worden veroordeeld tot verwijdering van de schutting die deze grens overschrijdt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.331.519/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/331610/ HA ZA 22-548
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M. Pluister te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] is eigenaar van een perceel met woonhuis dat grenst aan het perceel van [geïntimeerden] Dit geschil gaat over de vraag waar de juridische erfgrens ligt tussen de percelen van partijen. [appellant] stelt dat deze grens gelijk is aan de kadastrale erfgrens; [geïntimeerden] beroepen zich op verjaring en betogen dat de erfgrens als gevolg van die verjaring elders is komen te liggen. Het hof is van oordeel dat het beroep van [geïntimeerden] op verjaring niet slaagt en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 18 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 24 mei 2023 van de rechtbank Noord-Holland onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met een productie;
- memorie van antwoord met producties.
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2025 hebben beide advocaten het woord gevoerd aan de hand van overlegde spreekaantekeningen. Bij deze gelegenheid hebben beide partijen nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord.
Na beraad waarin partijen tevergeefs hebben getracht een minnelijke regeling te bereiken, hebben [geïntimeerden] arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen toewijst, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft in 2.1. tot en met 2.4. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten, meer in het bijzonder tegen een onderdeel van de vaststelling onder 2.2. Het hof zal met het in deze grieven naar voren gebrachte rekening houden. De feiten komen, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerden] zijn sinds 17 december 1996 eigenaar van de woning aan [straat] 50 in [plaats 1] met de bijbehorende grond. [appellant] is sinds 3 maart 2014 eigenaar van de naastgelegen woning aan [straat] 49B en de bijbehorende grond. Partijen zijn dus buren van elkaar.
3.2.
De rechtsvoorganger van [appellant] is de familie [naam 1] . De woning aan [straat] 49 is rond 1920 gebouwd en de familie [naam 1] heeft daar sinds die tijd gewoond. In 1965 is op het perceel van de familie [naam 1] een woning bijgebouwd met als adres [straat] 49B. [straat] 49 wordt nog steeds bewoond door mevrouw [naam 1] .
3.3.
De rechtsvoorganger van [geïntimeerden] is [naam 2] , de oom van [geïntimeerde 1] . Hij is in 1953 op [straat] 50 komen wonen.
3.4.
Op dit moment bestaat de feitelijke erfafscheiding tussen de twee percelen vanaf de straatkant gezien eerst uit een lage ligusterhaag. Na deze haag volgt een (stam van een) struik en daarna een schuin geplaatste schutting. Dan volgt een schutting die stopt ter hoogte van de houten kippenschuur van [geïntimeerden] Vanaf dat punt staat een heg die doorloopt tot vlak voor de achterkant van beide percelen.
3.5.
Op het perceel van [appellant] is in 1976 een garage gebouwd. Kort daarna is door [geïntimeerden] een schutting geplaatst vanaf hun huis naar de garage van [naam 1] . Deze schuin geplaatste schutting van [geïntimeerden] was met planken aan deze garage bevestigd. [appellant] heeft de garage in 2014 gesloopt.
3.6.
Op 19 mei 2022 is op verzoek van [appellant] door het Kadaster de kadastrale grens tussen de percelen van partijen vastgesteld. De haag staat volgens deze vaststelling op het kadastrale perceel van [appellant] .

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat de juridische erfgrens tussen de percelen van beide partijen aan [straat] 49B en [straat] 50 wordt gevormd door de kadastrale erfgrens zoals deze opnieuw is aangewezen bij kadastrale grensconstructie op 19 mei 2022,
2. primair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na het wijzen van vonnis over te gaan tot verwijdering en het verwijderd houden van de schutting, voor zover deze de erfgrens aan de zijde van [appellant] heeft overschreden, op straffe van een dwangsom,
subsidiair [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na het wijzen van vonnis het stuk grond dat zij onrechtmatig in bezit hebben terug te leveren, op straffe van een dwangsom,
3. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 230,- te betalen betreffende de helft van de kosten van het Kadaster, te vermeerderen met de wettelijke rente,
4. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring, waardoor de juridische erfgrens niet overeenstemt met de kadastrale grens. Aan de voorzijde van de percelen wordt de erfgrens volgens de rechtbank gevormd door de kern dan wel de stammetjes van de heg. In het verlengde daarvan wordt de erfgrens gevormd door de schutting. In het verlengde van de schutting wordt de erfgrens gevormd door de kern dan wel de stammetjes van de heg die tot achteraan de percelen doorloopt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [geïntimeerden] de grond van [appellant] te kwader trouw in bezit hebben genomen, zodat ook de subsidiaire vordering is afgewezen.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. De grieven stellen centraal de vraag of sprake is van inbezitneming van grond van [appellant] door [geïntimeerden] Het hof zal hierna eerst het juridisch toetsingskader voor inbezitneming kort uiteenzetten. Daarna zal het hof per gedeelte van de erfafscheiding (zie 2.2: de heg aan de voor- en achterzijde, de schuin geplaatste schutting (ook wel privacy scherm genoemd) en de schutting) beoordelen of sprake is van inbezitneming.
Juridisch toetsingskader voor inbezitneming
5.2.
Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW Pro). Bij de beoordeling of sprake is van bezit in de zin van artikel 3:113 BW Pro, komt het aan op de vraag of de (vermeende) inbezitnemer, in dit geval [geïntimeerden] , de voor bezit vereiste feitelijke macht over het goed uitoefent. Op grond van artikel 3:108 BW Pro dient die beoordeling plaats te vinden op basis van de verkeersopvatting, met inachtneming van de daaropvolgende wettelijke bepalingen en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Artikel 3:113 lid 2 BW Pro bepaalt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn; de machtsuitoefening moet zodanig zijn dat die naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet. De rol van de verkeersopvattingen brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het bezit ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ moet zijn. Hiervan is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Een en ander moet dus naar buiten toe kenbaar zijn geweest. Voor de beoordeling van de vraag of iemand een strook grond in bezit heeft genomen, kan van belang zijn of zij de strook ontoegankelijk hebben gemaakt, maar dit is niet beslissend.
De heg aan de voor- en achterzijde van de percelen
5.3.
Met grief 3 bestrijdt [appellant] dat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] in 1953 een heg hebben aangeplant langs de gehele perceelsgrens aan de voor- en achterzijde.
Met grief 4 komt [appellant] op het tegen het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste van inbezitneming door [geïntimeerden] Volgens [appellant] kan uit het enkele feit dat de heg de feitelijke grens tussen beide percelen vormt, beide partijen de situatie tientallen jaren hebben gerespecteerd en [geïntimeerden] de grond aan hun kant van de heg gedurende deze periode hebben gebruikt, niet worden afgeleid dat [geïntimeerden] de strook in bezit hebben genomen. Met grief 5 betoogt [appellant] dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat sprake was van bezit via de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] vanaf 1953, zodat ingevolge het oud BW de bezitter zonder wettige titel na dertig jaar eigenaar wordt van de grond. Ook is onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke grens wordt gevormd door de stammetjes in de heg. De grieven 9 en 10 stellen hetzelfde aan de orde maar dan ten aanzien van de heg aan de voorzijde van de percelen. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.4.
[geïntimeerden] hebben het volgende naar voren gebracht. [naam 2] , destijds eigenaar van [straat] 50, heeft de heg in 1953 aangeplant als erfafscheiding, in het kader van de nieuwe bebouwing. [geïntimeerden] weten dat van de eigen familie. [geïntimeerde 1] , zijn rechtsvoorgangers en [naam 1] hebben vanaf 1953 altijd de huidige feitelijke erfgrens beschouwd als de tussen partijen geldende erfgrens. Zij hebben zich altijd gedragen alsof de heg van [naam 2] was – dit heeft nooit ter discussie gestaan tussen hen. De rechtsvoorganger van [geïntimeerde 1] heeft de heg ook altijd - aan beide kanten - onderhouden. Uit de overgelegde verklaringen van familieleden van [geïntimeerden] blijkt volgens hen dat de feitelijke situatie in ieder geval gedurende 50 tot 70 jaar niet is gewijzigd. Volgens [geïntimeerden] is sprake van inbezitneming. Partijen respecteerden de feitelijke grens al tientallen jaren. Door de plaatsing van de heg zijn de percelen van elkaar gescheiden.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat (een aanzienlijk deel van) de heg aan de voor- en de achterzijde van de percelen dezelfde heg is als die tussen 1953 en 1962 is aangeplant. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden vastgesteld wie de heg destijds heeft aangeplant. De niet onderbouwde stelling van [geïntimeerden] dat dit door [naam 2] is gedaan, is door [appellant] gemotiveerd betwist. Zij wijst er onder meer op dat de gehele heg op haar grond staat en dat dit erop wijst dat de heg juist door haar eigen rechtsvoorganger(s) is geplaatst. Ook voert zij aan dat haar rechtsvoorganger [naam 1] al op het perceel woonde voordat [naam 2] de eigendom van [straat] 50 verkreeg terwijl het perceel van [geïntimeerde 1] nog niet bebouwd was, zodat het waarschijnlijk is dat het [naam 1] is geweest die de heg heeft geplaatst en niet [naam 2] . In het licht van deze betwisting hebben [geïntimeerden] hun stelling dat [naam 2] de heg heeft geplaatst, onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [geïntimeerden] de heg tot 2014 ook aan de zijde van [appellant] hebben onderhouden. [geïntimeerden] hebben die stelling niet onderbouwd terwijl [appellant] de stelling heeft betwist onder verwijzing naar een verklaring van [naam 1] , die heeft verklaard dat haar schoonvader (dus een rechtsvoorganger van [appellant] ) de haag aan de linkerkant van hun kavel onderhield. Dat [geïntimeerden] de heg aan beide zijden onderhielden is in het licht van deze betwisting niet voldoende onderbouwd.
5.6.
Om van inbezitneming te kunnen spreken zullen [naam 2] / [geïntimeerden] zich zo moeten hebben gedragen dat [naam 1] als eigenaar daaruit niets anders kan hebben afgeleid dan dat [naam 2] / [geïntimeerden] pretendeerden eigenaar te zijn en dat het bezit van [naam 1] aldus teniet werd gedaan. Uit de feitelijke situatie kan echter niet meer worden afgeleid dan dat [naam 2] / [geïntimeerden] de heg steeds hebben gerespecteerd als grens. Dat [naam 2] de heg aan zijn kant onderhield, aan zijn kant van de heg een tegelpad heeft aangelegd en dat de feitelijke situatie al tientallen jaren door beide buren werd gerespecteerd, is op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien onvoldoende om te kunnen concluderen dat [naam 2] / [geïntimeerden] de grond op openbare en niet dubbelzinnige wijze in bezit hebben genomen. Nu overigens onvoldoende is gesteld en onderbouwd waar de bezitsdaden van [naam 2] / [geïntimeerden] met betrekking tot de heg uit zouden hebben bestaan, betekent dit dat de grieven 4, 5, 9 en 10 slagen.
De schuin geplaatste schutting
5.7.
Grief 6 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de schuin geplaatste schutting in 1977 door de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] is geplaatst op een betonnen fundering, dat de huidige schutting nog steeds op dezelfde fundering staat en dat daardoor het erf van [geïntimeerden] werd afgeschermd op een manier die het voor de rechtsvoorganger van [appellant] onmogelijk maakte om nog gebruik te maken van dat deel van het erf (dat dus gedeeltelijk enkele tientallen centimeters over de kadastrale grens lag) en daardoor sprake is van inbezitneming. Volgens [appellant] is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de schutting met goedvinden van [naam 1] is geplaatst, omdat anders een ruimte van ongeveer vijftig centimeter tot aan de schuur van [naam 1] zou overblijven en hierdoor toegang zou kunnen worden verkregen tot de tuin van [geïntimeerden] hebben ook erkend dat de schutting in overleg met [naam 1] is geplaatst. Deze toestemming staat aan inbezitneming in de weg, aldus [appellant] . Met grief 7 betoogt [appellant] dat de rechtbank dan ook ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van inbezitneming te goeder trouw.
5.8.
[geïntimeerden] hebben in hoger beroep betoogd dat de schutting weliswaar ‘in overleg’ met [naam 1] is geplaatst, maar dat betekent volgens hen niet dat zij toestemming hebben gevraagd of gekregen. Zij hebben - zoals het goede buren betaamt - hun buurman over de voorgenomen plaatsing van de schutting geïnformeerd. Daaruit kan niet worden afgeleid dat partijen afspraken hebben gemaakt over de eigendomsrechten van de onderliggende grond dan wel toestemming hebben verleend voor het gebruik daarvan.
5.9.
De grieven 6 en 7 slagen. Het hof stelt voorop dat bij de vraag of gedragingen van de vermeende inbezitnemer voldoende zijn voor het aannemen van inbezitneming van belang kan zijn of vooraf overleg heeft plaatsgevonden. Als gebruik van grond namelijk plaatsvindt na overleg, afstemming of met toestemming van de eigenaar, duidt dat op erkenning van een andere rechthebbende of op tijdelijke, persoonlijke afspraken in plaats van een publieke pretentie tot eigenaar-zijn en een ondubbelzinnige machtsuitoefening die de eigendom van de ander teniet doet.
5.10.
Het hof stelt vast door [geïntimeerden] niet is betwist dat de schutting in 1977 door [naam 2] is geplaatst om veiligheids- en privacyredenen: zonder de schutting zou een ruimte van ongeveer vijftig centimeter tot aan de schuur/garage van [naam 1] overblijven en zou via die opening toegang tot de tuin van [naam 2] kunnen worden verkregen. [geïntimeerden] gebruiken in de processtukken zelf de term ‘privacyscherm’ voor de schutting. De schutting werd dus kennelijk geplaatst met een bepaald praktisch doel, te weten het ontnemen van zicht op de achtertuin van [naam 2] en het blokkeren van de toegang tot de achtertuin vanaf de straatzijde, en niet om een stuk grond in bezit te nemen. Onder deze omstandigheden is het in onderling overleg plaatsen van de schutting en vervolgens gebruiken van de grond als tuin, waaronder het betegelen van de grond, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien onvoldoende om te kunnen concluderen dat [naam 2] / [geïntimeerden] de grond op openbare en niet dubbelzinnige wijze in bezit hebben genomen, in de zin dat [naam 1] als destijds de eigenlijke eigenaar daaruit niet anders kon afleiden dan dat [naam 2] / [geïntimeerden] pretendeerden daarvan de eigenaar te zijn en dat het bezit van [naam 1] aldus teniet werd gedaan. De enkele omstandigheid dat deze schutting reeds in 1977 en op een betonnen fundering is geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerden] hebben nog aangevoerd dat [naam 2] zijn buurman slechts zou hebben geïnformeerd en hem niet om toestemming heeft gevraagd. Het hof gaat aan die stelling voorbij omdat [geïntimeerden] in eerste aanleg zelf hebben gesteld dat de plaatsing van de schutting geschiedde
met instemming van[naam 1] en dat daarover tussen partijen afspraken zijn gemaakt. In het licht van deze eerdere erkenning en het betoog van [appellant] op dit punt, had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om toe te lichten waarom zij hun eerdere standpunt hebben verlaten. Dat hebben zij nagelaten. Echter, ook als juist zou zijn dat de plaatsing van de schutting geschiedde zonder toestemming van (maar wel in overleg met) [naam 1] , leidt dat niet tot de conclusie dat de plaatsing van de schutting moet worden aangemerkt als een daad van inbezitneming. Niet in geschil is immers dat de aanleiding voor het overleg tussen [geïntimeerde 1] en [naam 1] de wens van [geïntimeerde 1] was om beschermd te raken tegen inkijk en toetreding. Tegen die achtergrond hoefde [naam 1] de plaatsing van de schutting niet als een bezitshandeling van [geïntimeerde 1] op te vatten.
De schutting
5.11.
Met grief 8 komt [appellant] onder meer op tegen het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat de schutting (niet zijnde de hiervoor onder 5.7.-5.10. bedoelde schuine schutting) op dezelfde plek staat als vóór de werkzaamheden en daarmee dat de schutting op dezelfde plek staat als de heg die er voorheen stond, zodat de feitelijke erfafscheiding zich dus al sinds 1953 op dezelfde plek bevindt, waardoor op deze situatie het oud BW van toepassing is. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de schutting niet op dezelfde plek is geplaatst als waar de heg stond. Daardoor is volgens haar ook niet juist het oordeel dat de feitelijke erfafscheiding zich dus al sinds 1953 op dezelfde plek bevindt. [geïntimeerden] hebben in 2009 de haag verwijderd en de schutting ongeveer vijftien centimeter verder in de tuin van [naam 1] geplaatst, op de plek waar eerst het rieten vlechtscherm stond. In 2014 hebben [geïntimeerden] de schutting op de oude plek van de garage van [naam 1] gezet, ongeveer tien centimeter verder de tuin van [appellant] in. In 2022, met het plaatsen van een nieuwe schutting, is de erfafscheiding nog enkele centimeters in de richting van [appellant] opgeschoven.
5.12.
[geïntimeerden] stellen dat de locatie van de erfafscheiding met het plaatsen van de schutting in 2009 niet is gewijzigd, maar ook dat de schutting in 2009 is geplaatst aan de buitenzijde van de heg, met als startpunt de hoek van de in 1977 schuin geplaatste schutting. Volgens [geïntimeerden] was de schutting aan de garage van [naam 1] genageld. Dit was volgens [geïntimeerden] op verzoek van [naam 1] gedaan en [geïntimeerden] hadden er een esthetisch belang bij om de schutting door te laten lopen, zodat vanuit hun tuin niet tegen de garage van [naam 1] werd aangekeken.
5.13.
De grief slaagt. Het hof stelt vast dat waar [geïntimeerden] het hebben over ‘de hoek van de in 1977 geplaatste schutting’, deze hoek ongeveer vijftig centimeter op het perceel van [appellant] ligt en het dus niet dezelfde locatie is als waar de heg eerst stond. Verder acht het hof voldoende onderbouwd dat door het plaatsen van de schutting aan de buitenzijde van de heg de erfgrens feitelijk ongeveer vijftien centimeter verder de tuin van [appellant] in is opgeschoven, zoals door [appellant] is gesteld en door [geïntimeerden] onvoldoende is weersproken.
Het hof is van oordeel dat uit de eigen stellingen van [geïntimeerden] , ondersteund door een door henzelf in het geding gebrachte verklaring van Martijn Pompstra, niet volgt dat is voldaan aan het vereiste van inbezitneming. Hieruit volgt immers dat het plaatsen van de schutting in 2009 in overleg met en met goedvinden van [naam 1] is gegaan. Nu niet is gesteld dat deze instemming van [naam 1] een instemming met verplaatsing van de juridische erfgrens inhield, staat dat overleg ofwel die instemming, zoals hiervoor ook is overwogen, aan inbezitneming in de weg. [naam 1] gaf daarmee kennelijk toestemming tot gebruik van zijn grond door [geïntimeerden]
Ook als wel wordt aangenomen dat de grond door [geïntimeerden] in 2009 in bezit is genomen, slaagt het beroep op verjaring niet vanwege het ontbreken van goede trouw (artikel 3:99 BW Pro). [geïntimeerden] hebben immers zelf gesteld dat zij er vanuit gingen dat de heg de erfgrens vormde, maar zij hebben vervolgens de schutting geplaatst aan de
buitenzijdevan die heg (aan de zijde van [appellant] ), dus - zoals hiervoor overwogen - ongeveer vijftien centimeter de tuin van [appellant] in. De bij gebreke van goeder trouw geldende verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 3:105 BW Pro) is niet voltooid.
Door [geïntimeerden] is nog - in het algemeen - gesteld dat de verjaring reeds in 1983 was voltooid. Nu de schutting pas in 2009 is verplaatst en vanaf dat moment niet meer op de plek van de oude heg stond, kan echter niet eerder dan in 2009 sprake zijn van inbezitneming.
Bewijsaanbod
5.14.
Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerden] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij ofwel hun stellingen in het licht van de betwisting van [appellant] onvoldoende hebben onderbouwd ofwel hun stellingen, indien bewezen, niet kunnen leiden tot een ander oordeel.
Slotsom en kosten
5.15.
De grieven treffen doel. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat de juridische erfgrens tussen de percelen van beide partijen wordt gevormd door de kadastrale erfgrens zoals die is aangewezen bij kadastrale grensreconstructie op 19 mei 2022, zal worden toegewezen. Ook de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] om de schutting te verwijderen en verwijderd te houden zal worden toegewezen als gevorderd, nu hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom. De door [appellant] gevorderde helft van de kosten van het Kadaster ter hoogte van € 230,- komen als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking.
5.16.
[geïntimeerden] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
Kosten eerste aanleg:
- explootkosten € 129,82
- griffierecht € 1.301,00
- salaris advocaat € 1.794,00 (tarief € 598,00 x 3 punten)
Totaal € 3.224,82
Kosten hoger beroep:
- explootkosten € 130,57
- griffierecht € 343,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief € 1.214,00 x 2 punten)
Totaal € 2.901,57
5.17.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [appellant] tot veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de door haar betaalde proceskosten in eerste aanleg van € 3.095,- zal worden toegewezen.

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de juridische erfgrens tussen de percelen van beide partijen aan [straat] 49B, kadastraal bekend gemeente [plaats 2] , en [straat] 50, kadastraal bekend gemeente [plaats 3] , wordt gevormd door de kadastrale erfgrens zoals deze opnieuw is aangewezen bij kadastrale grenscontrole op 19 mei 2022 zoals blijkt uit het relaas van bevindingen van die datum van de heer [naam 3] , landmeetkundig specialist van het kadaster;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om binnen vier weken na dit arrest over te gaan tot verwijdering en het verwijderd houden van de schutting, voor zover deze de erfgrens aan de zijde van [appellant] heeft overschreden, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [geïntimeerden] hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 50.000,-;
veroordeelt [geïntimeerden] om aan eiseres te voldoen een bedrag van € 230,- betreffende de helft van de kosten van het Kadaster, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:
- € 3.224,82 voor de eerste aanleg,
- € 2.901,57 voor het hoger beroep,
- € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant] van een bedrag van € 3.095,-;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. van Dijk, J.C. Toorman en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.