Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
met instemming van[naam 1] en dat daarover tussen partijen afspraken zijn gemaakt. In het licht van deze eerdere erkenning en het betoog van [appellant] op dit punt, had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om toe te lichten waarom zij hun eerdere standpunt hebben verlaten. Dat hebben zij nagelaten. Echter, ook als juist zou zijn dat de plaatsing van de schutting geschiedde zonder toestemming van (maar wel in overleg met) [naam 1] , leidt dat niet tot de conclusie dat de plaatsing van de schutting moet worden aangemerkt als een daad van inbezitneming. Niet in geschil is immers dat de aanleiding voor het overleg tussen [geïntimeerde 1] en [naam 1] de wens van [geïntimeerde 1] was om beschermd te raken tegen inkijk en toetreding. Tegen die achtergrond hoefde [naam 1] de plaatsing van de schutting niet als een bezitshandeling van [geïntimeerde 1] op te vatten.
buitenzijdevan die heg (aan de zijde van [appellant] ), dus - zoals hiervoor overwogen - ongeveer vijftien centimeter de tuin van [appellant] in. De bij gebreke van goeder trouw geldende verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 3:105 BW Pro) is niet voltooid.