Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 2] ,
1.De zaak in het kort
2.Het verdere procesverloop
3.De (verdere) beoordeling
.[bedrijf 2] heeft in dat verband bezwaar gemaakt tegen de overlegging van andere stukken dan de jaarstukken 2023 waartoe Atlas bij tussenbeschikking in de gelegenheid is gesteld. Kennelijk heeft Atlas met die aanvullende stukken willen voorzien in de door het ontbreken van de accountantsverklaring ontstane leemte (omdat die accountantsverklaring niet beschikbaar kón komen binnen de Atlas gegeven termijn). Op die grondslag komt het hof tot het oordeel dat deze stukken toelaatbaar zijn, omdat zij slechts beogen het gat in te vullen dat door het ontbreken van de accountantsverklaring is ontstaan. [bedrijf 2] heeft bovendien inhoudelijk op die nadere stukken gereageerd, zodat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Atlas heeft in dat verband (a) een legal opinion van advocatenkantoor [bedrijf 1] . overgelegd met betrekking tot het bestaan en de afdwingbaarheid van de leningsovereenkomst tussen Atlas en een indirecte houdstermaatschappij en de vraag of die overeenkomst vernietigbaar zou zijn op grond van artikel 3:45 BW Pro; en (b) een schriftelijke verklaring van de hiervoor onder 3.3 genoemde getuige die [bedrijf 2] in het voorlopig getuigenverhoor wenst te horen. Aan deze stukken kan echter niet dezelfde waarde worden toegekend als aan de ontbrekende, door een onafhankelijke accountant afgegeven verklaring met betrekking tot de jaarrekening. Daarbij komt dat de in het advies en de schriftelijke verklaring opgenomen stellingen deels zijn gebaseerd op documenten die niet zijn overgelegd waardoor deze verklaringen oncontroleerbaar zijn gehouden. Zo heeft Van Hooven verklaard dat de post van € 186,6 miljoen onder “
9 Amounts due to group companies” in de jaarrekening van 2023 de terugbetaling van leningen betreft, die overeenkomstig de voorwaarden van de leningsdocumentatie opeisbaar en betaalbaar werden bij de verkoop van de Paccor-groep en de terugbetaling van de daarmee verband houdende externe financiering. Deze stelling over de opeisbaarheid valt echter geenszins op te maken uit de jaarrekening, nu daarin is vermeld dat de desbetreffende leningen pas in 2029 opeisbaar zijn. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, houdt het hof het ervoor dat deze leningen pas in 2029 opeisbaar worden. Duidelijkheid hierover zou Van Hooven kunnen geven als hij, zoals de inzet van [bedrijf 2] is, door de rechter onder ede wordt gehoord. In de schriftelijke verklaring van Van Hooven wordt ter onderbouwing verwezen naar onderliggende leningsdocumentatie maar ook die is niet overgelegd, zodat ook hiervoor geldt dat Atlas [bedrijf 2] de mogelijkheid heeft onthouden om deze verklaring op juistheid te toetsen. Ook de stellingen van mr. Broeders namens Atlas over de identiteit en gegoedheid van de gelieerde groepsmaatschappij waaraan Atlas een lening van