Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning uit 1916 met een woonoppervlakte van circa 44 m² in de buurt [Y]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2023 vast op €402.000, gebaseerd op een taxatierapport en de verkoopprijs van de woning in juli 2021 van €385.000, gecorrigeerd en geïndexeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2022.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer omdat hij moest overbieden door een oververhitte woningmarkt en dat de waarde zou moeten worden gebaseerd op lagere WOZ-waarden van vergelijkbare appartementen aan hetzelfde adres. De rechtbank oordeelde dat de betaalde koopsom de beste indicatie is voor de waarde in het economische verkeer en dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden omdat de verschillen in oppervlakte en kwaliteit tussen de woningen niet verwaarloosbaar zijn.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling. Het Hof stelde vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verschillen tussen de woningen verwaarloosbaar zijn, mede gelet op bouwtekeningen en kwaliteitsverschillen. Ook het feit dat belanghebbende moest overbieden vanwege de markt leidt niet tot een lagere waarde. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.