4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt de heffingsambtenaar aangeduid als ‘verweerder’):
“
Geschil en standpunten van partijen
(…)
6. (…) De griffier heeft eiseres bij brief van 22 februari 2022 een nota gestuurd en haar in de gelegenheid gesteld het griffierecht ad € 360 [
Hof:voor de zaken met kenmerk HAA 22/807 én HAA 22/808] te betalen binnen vier weken na dagtekening van de brief. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. Aangezien het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan, heeft de griffier op 23 maart 2022 een herinnering gestuurd. Nadien heeft de griffier gecorrespondeerd met de gemachtigde met betrekking tot het gedane beroep op betalingsonmacht. Dat beroep is bij brief van 21 juli 2022 afgewezen bij gebreke aan enigerlei onderbouwing van de gestelde betalingsonmacht. Op 5 oktober 2022 is nogmaals een nota gestuurd met een te betalen bedrag aan griffierecht van € 360.
Aangezien het verschuldigde bedrag niet binnen de gestelde termijn was ontvangen is op 3 november 2022 wederom een herinnering verzonden. Deze laatste brief is aangetekend verzonden en afgehaald op 8 november 2022. In laatstgenoemde brief staat onder meer: “Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid het griffierecht te betalen.”
7. Volgens de bij de rechtbank beschikbare informatie is op 20 april 2022 een bedrag van € 49 betaald (dat is terugbetaald) terwijl het verschuldigde bedrag aan griffierecht € 360 bedraagt. De griffier heeft het vorenstaande vastgelegd in de brief van 18 april 2023 welke brief is gericht aan de gemachtigde. Daarin is tevens gewezen op de gebreken in de machtiging. De machtiging was slechts door een en niet door de twee gezamenlijk bevoegde bestuurders ondertekend zoals de statuten voorschrijven. De nieuw toegezonden machtiging is medeondertekend door een persoon die bij het instellen van het beroep niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen. Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat de geplande mondelinge behandeling van het beroep op 18 april 2023 geen doorgang kon vinden.
Beoordeling van het geschil
8. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet, niet volledig of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht als verzuim verschoonbaar is. Van zodanige feiten is de rechtbank niet gebleken.
9. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat er geen enkele reden was om niet het juiste bedrag aan griffierecht te betalen. Eiseres is een groot bedrijf. Er is een fout gemaakt, waarbij abusievelijk het griffierecht voor een eenmanszaak is betaald. De rechtbank heeft de gemachtigde ook geen verzoek voor suppletie van het griffierecht gestuurd. Als de gemachtigde een dergelijk verzoek had ontvangen, dan had hij voor de benodigde suppletie zorggedragen. De gemachtigde is van mening dat hij recht heeft op een termijn om het verzuim te herstellen. Dit verzuim is verschoonbaar.
10. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig betalen van het volledige bedrag aan griffierecht in de onderhavige zaak niet verontschuldigbaar is en dat de gemachtigde geen termijn voor het herstel van het verzuim hoeft te worden geboden. De gemachtigde is een professionele procespartij, die er bewust voor kiest om in een groot deel van de zaken waarin hij de gemachtigde is na de ontvangst van de (laatste) herinnering voor het betalen van het griffierecht slechts een deel van het door hem verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Een dergelijke keuze dient voor rekening en risico van eiseres en haar gemachtigde te blijven. Dat de gemachtigde in sommige van zijn zaken een nieuwe (laatste) herinnering ontvangt, heeft te maken met het in die zaken voortdurend herhalen van beroepen op betalingsonmacht welke nimmer door hem worden onderbouwd. Dit maakt echter niet dat de rechtbank gehouden is om de gemachtigde in iedere zaak na iedere deelbetaling de gelegenheid moet bieden om het ontbrekende griffierecht te suppleren. Bijgevolg komt de rechtbank niet toe aan het geven van een oordeel over de waarde van de onroerende zaak [straat 1] te [plaats 2] .
11. De rechtbank merkt nog op dat zij bij brief van 17 maart 2022 aan de gemachtigde heeft medegedeeld dat de zaken zijn gesplitst in de kenmerken HAA 22/807 en HAA 22/808. In de laatstvermelde zaak is geen griffierecht geheven (vergelijk artikel 8:41 lid 3 van de Awb). Eiseres heeft gesteld dat zij deze brief niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft ter zitting aan de gemachtigde de kopie van de verzonden brief gericht aan het postadres van gemachtigde getoond en meegedeeld dat de brief aangetekend is verzonden en voor ontvangst is getekend. De ter zitting gedane ontkenning van de ontvangst acht de rechtbank niet geloofwaardig en zij gaat daaraan dan ook voorbij. Voor de beslechting van het voorliggende geschil mist dit betoog overigens fiscale relevantie.
12. Nu het verschuldigde griffierecht niet op tijd volledig is betaald en naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken is van een verontschuldiging voor dit verzuim, is het beroep niet-ontvankelijk en het in augustus 2022 betaalde bedrag van € 49 zal aan eiseres worden terugbetaald.
13. In het beroep heeft eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarover aan het slot van de uitspraak een oordeel geven.
14. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de machtiging. Nu het beroep reeds niet-ontvankelijk op het niet volledig voldaan hebben van het juiste bedrag aan griffierecht gaat de rechtbank uit een oogpunt van proceseconomie aan de kwestie van de machtiging en het beroep op het gelijkheidsbeginsel voorbij.
Zaaknummer HAA 22/808 (waarde van de onroerende zaken [straat 2] 785A, 785B en 785C)
15. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
16. Op grond van artikel 4 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, bepaald voor:
a. woningen: door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn;
b. niet-woningen: door middel van een methode van kapitalisatie van de brutohuur, door middel van een methode van vergelijking als bedoeld onder a, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.
17. De rechtbank stelt voorop dat het elke partij vrijstaat om ter voldoening aan haar bewijslast al dan niet gebruik te maken van (een) waarderingsmethode(n) en, indien zij gebruik maakt van (een) waarderingsmethode(n), eveneens vrij is in de keuze van de door haar gebruikte waarderingsmethode(n). Waarderingsmethoden zijn niet meer dan hulpmiddelen bij de waardebepaling. De rechter toetst uitsluitend of de door de verweerder voorgestane waarde en, indien het de rechtbank aan de toetsing van de door eiseres verdedigde waarde toekomt, de door eiseres verdedigde waarde, aan het wettelijke waardebegrip doorstaan (vgl. HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA8610). Betreft het geschil de marktwaarde van een onroerende zaak, zoals hier het geval is, dan is de enige toetssteen voor de rechter derhalve het bepaalde in artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. Bovendien geldt dat het verweerder daarbij vrij staat om de vergelijkingsobjecten te kiezen, die hem in dat kader het beste voorkomen.
18. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van elk van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft de waarde van de onroerende zaken onderbouwd aan de hand van de in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling, genoemde methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens in de vorm van verkoopgegevens beschikbaar zijn.
De rechtbank acht dat in beginsel een goede vergelijkingsmethode. De rechtbank zal, hoewel het een indicatie is voor de waarde per de waardepeildatum van de onroerende zaken, geen acht slaan op het eigen verkoopcijfer van € 3.850.0000 van de drie onroerende zaken (inclusief 70 parkeerplaatsen). Daartoe overweegt zij dat dit verkoopcijfer op 16 juni 2021 is gerealiseerd en dus te ver van de waardepeildatum is gelegen,
19. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
20. Verweerder heeft gesteld dat de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar zijn. Een aantal verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn gerealiseerd in en rondom het Covid-tijdperk en lockdowns. Daarmee worden alle eventuele door eiseres aangedragen waardedrukkende omstandigheden geacht te zijn verdisconteerd in deze verkoopcijfers. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij de verkooptransacties niet in het Kadaster heeft kunnen vinden. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden en de rechtbank is van oordeel dat het zijdens de gemachtigde louter een blote stelling betreft.
21. Verweerder heeft voorts aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaken en de vergelijkingsobjecten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de bij het verweerschrift overgelegde matrices een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarden aan de hand van de voor elk van de onroerende zaken gehanteerde vierkantemeterprijs. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal van de onroerende zaken en de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft blijkens de matrix een significant lagere prijs per vierkante meter (€ 989,71)gehanteerd voor de onroerende zaken dan voor de vergelijkingsobjecten (variërend van € 1.624,55 tot € 2.041,27). Dat sprake is van een gebrekkige onderhoudssituatie, lokale verpaupering, en rekening zou moeten worden gehouden met een rompslompforfait en met de sterke prijsstijgingen in de afgelopen jaren, heeft bij gebreke van enige onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat dan ook aan deze stellingen voorbij. Dat laatste geldt evenzeer voor het door eiseres gestelde waardedrukkende effect als gevolg van de coronacrisis. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid de gehele maatschappij heeft geraakt, het geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 18, lid 3, letter c, van de Wet WOZ welke louter de onroerende zaak zelf betreft. Laatstgenoemd gestelde waardedrukkend effect is derhalve verdisconteerd in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
22. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij aan al hetgeen eiseres heeft gesteld met betrekking tot de kapitalisatiefactor, het leegstandsrisico en de grondstaffels voorbijgaat aangezien deze stellingen, in het geheel niet ter zake doende zijn, nu verweerder ter onderbouwing van de waarde is uitgegaan van gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten,.
23. De enkele stelling van eiseres dat een korting van 40 percent moet worden toegepast op de waarde kan niet slagen, omdat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd en derhalve niet aannemelijk is gemaakt. Ook het verzoek om de akten van levering – daarin staat tevens de datum van de koopovereenkomst vermeld - in het geding te brengen wijst de rechtbank af nu dit openbare gegevens te verkrijgen bij het Kadaster. Het zijn derhalve geen bescheiden welke vallen onder artikel 8:42 van de Awb. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder de verkoopprijzen heeft geïndexeerd vanaf de datum van de obligatoire overeenkomst naar de waardepeildatum.
24. De rechtbank overweegt bovendien dat daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat taxeren geen exacte wetenschap is. Het gaat er uiteindelijk om of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de totale eindwaarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld
25. Al hetgeen eiseres overigens of anders nog heeft aangevoerd, waaronder de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, een civielrechtelijk arrest, en de verwijzing naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6734, rechtsoverweging 4.6, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt zij dat de verwijzing naar voornoemd arrest en uitspraak toepassing mist toepassing nu in het te berechten geschil de onderbouwing van de beschikte waarden is geschied op basis van gerealiseerde verkooptransacties en niet wordt gewerkt met geschatte huurbedragen. De rechtbank merkt bovendien nog op dat eiseres geen begin van onderbouwing heeft gegeven van de door haar bepleite eindwaarde (een verlaging met 25 percent).
26. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep in de zaak HAA 22/808 ongegrond moet worden verklaard.
Verzoek vergoeding immateriële schade (HAA 22/808)
27. Eiseres heeft in beginsel aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor een dergelijke vergoeding is aanleiding als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat het bezwaarschrift is ingediend, uitspraak doet. Eiseres heeft dan recht op een vergoeding van € 500 voor elk halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden waarbij een gedeelte van minder dan 6 maanden naar boven wordt afgerond. In dit geval is het bezwaarschrift op 11 maart 2021 ontvangen, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 1 december 2021 en de rechtbank doet uitspraak op 15 december 2023. De redelijke termijn is dus met afgerond 8 maanden overschreden en op die grond zou eiseres recht hebben op een schadevergoeding van € 1.000.
Niettemin is de rechtbank van oordeel dat voor een schadevergoeding geen aanleiding is. Daartoe overweegt zij het volgende. In haar uitspraak van 29 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4543, in een zaak waarin de gemachtigde ook als zodanig optrad, heeft de Rechtbank Midden-Nederland het volgende overwogen: “18.3. Bij het bezwaarschrift heeft de gemachtigde van eiseres een “VOLMACHT INZAKE WOZ/OZB/WATERSCHAPSLASTEN/ZUIVERINGSHEFFING/BIZ C.A.” (de volmacht) overgelegd. De volmacht is in “Februari/maart/april 2021”opgesteld en op 26 april 2021 door [naam] namens eiseres ondertekend. In de volmacht wordt Bartels Consultancy B.V. (de BV van gemachtigde) – voor zover hier van belang en kort samengevat – gemachtigd om eiseres in bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie “ter zake uitsluitend het in de aanhef van deze volmacht genoemde onderwerp” te vertegenwoordigen. De volmacht bevat de volgende passage:
“Onder deze machtiging wordt ook uitdrukkelijk geschaard de bevoegdheid om de van de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband (waarbij de gemeente is aangesloten) bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring te ontvangen bijdrage c.q. tegemoetkoming in de door mij noodzakelijkerwijs te maken proceskosten te laten storten op [de bankrekening van de BV van gemachtigde]. Ondergetekende draagt al zijn/haar bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 Awb waarbij [de BV van gemachtigde] is opgetreden als gemachtigde over aan [de BV van gemachtigde] en gelast hierbij de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband c.q. de Ministerie van Justitie en Veiligheid om de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken aan [de BV van gemachtigde] op [de eerdergenoemde bankrekening]. Mutatis mutandis geldt dat ook voor alle andere daarmee gelijk te stellen (proces)kostenvergoedingen, waaronder de immateriële vanwege onredelijke termijnoverschrijdingen. Uiteraard dient het teveel betaalde aan lokale heffingen rechtstreeks [de bankrekening] van mij, volmachtgever, gestort te worden […]”
Gelet op deze passage in de volmacht zou inwilliging van het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet ertoe leiden dat eiseres wordt gecompenseerd voor de door haar geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie als gevolg van het uitblijven van een beslissing op het beroep binnen een redelijke termijn, maar zou wat als compensatie van spanning en frustratie van eiseres is bedoeld, in werkelijkheid winst voor de BV van de gemachtigde van eiseres vormen. Het belang van eiseres is derhalve niet rechtstreeks bij het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om schadevergoeding betrokken. Op deze grond wijst de rechtbank het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
28. In deze zaak is een machtiging overgelegd die gelijkluidend is aan de machtiging die is genoemd in de hierboven geciteerde uitspraak. Feiten en omstandigheden om in deze zaak anders te oordelen, zijn gesteld noch gebleken. Bovendien heeft de gemachtigde in de loop van het geding verzocht om vermindering van griffierecht wegens betalingsonmacht. De gemachtigde heeft zijn verzoek, hoewel hij daartoe door de rechtbank wel in de gelegenheid is gesteld, niet gemotiveerd, maar daarmee de procedure wel nodeloos verlengd. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade en zal zij het daartoe gedane verzoek afwijzen.
29. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel zal de rechtbank niet nader ingaan op de verlenging van de redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg, welke in redelijkheid dient te worden verlengd gelet op het procesgedrag van de gemachtigde voorafgaand aan het kunnen plannen van de mondelinge behandeling op 14 november 2023. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 7 is opgenomen met betrekking tot de samenhangende zaak met kenmerk HAA 22/807.
30. Voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op de zaak met nummer HAA 22/807 overweegt de rechtbank nog het volgende. In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de rechtbank (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712 en van 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:42). De niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep brengt mee dat het optreden van verweerder in zoverre niet meer aan het oordeel van de belastingrechter is onderworpen. 31. Nu het beroep in de zaak met nummer HAA 22/808 ongegrond zal worden verklaard terwijl het beroep in de zaak met nummer HAA 22/807 niet-ontvankelijk zal worden verklaard en het verzoek om een schadevergoeding zal worden afgewezen is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook wordt het griffierecht niet vergoed.”