ECLI:NL:GHAMS:2025:3548

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/234 en 24/235
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake WOZ-waarden van onroerende zaken in Amsterdam

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de WOZ-waarden van onroerende zaken gelegen aan [straat 1] te [plaats 1] en [straat 2] 785A, 785B en 785C te [plaats 2]. De heffingsambtenaar van de gemeente [Y] had de waarden voor het jaar 2021 vastgesteld op € 1.346.000 per object. De belanghebbende, [X], heeft bezwaar gemaakt tegen deze vaststellingen, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Noord-Holland heeft in een eerdere uitspraak de beroepen van de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en ongegrond verklaard. De belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld, waarbij de rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van het griffierecht leidde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het Hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de betalingsonmacht van de belanghebbende en de onderbouwing van de WOZ-waarden door de heffingsambtenaar. Het Hof concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld en dat de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van de rechtbank is bevestigd, en het hoger beroep van de belanghebbende is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/234 en 24/235
14 oktober 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 15 december 2023 in de zaak met kenmerken HAA 22/807 en 22/808 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1.
de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] ,de heffingsambtenaar, en
2.
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Bij beschikking heeft de heffingsambtenaar de waarden van de onroerende zaken [straat 1] te [plaats 1] en [straat 2] 785A, 785B en 785C te [plaats 2] voor het jaar 2021 vastgesteld op achtereenvolgens € 1.346.000, € 1.346.000 en € 1.346.000.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft kenmerk HAA 22/807 toegekend aan het geschil met betrekking tot [straat 1] te [plaats 1] en kenmerk HAA 22/808 toegekend aan het geschil met betrekking tot [straat 2] 785A, 785B en 785C te [plaats 2] . Bij uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met nummer HAA 22/807 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer HAA 22/808 ongegrond en
- wijst het verzoek van eiseres tot vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, door het Hof ontvangen op 10 juli 2025, 28 augustus 2025, 1 september 2025, 9 september 2025 en 16 september 2025.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Feiten
1. Eiseres is gebruiker (huurder) van de onroerende zaak [straat 1] te [plaats 1] . [plaats 1] [bedrijf 1] is eigenaar van deze onroerende zaak.
2. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit, of beperkte recht van de onroerende zaken [straat 2] 785A, 785B en 785C. De onroerende zaak [straat 2] 785B heeft geen gebruiker. [bedrijf 2] is gebruiker (huurder) van de onroerende zaak [straat 2] 785C.
3. De onroerende zaken zijn winkels.
[straat 1] heeft een oppervlakte van € 1.159 m².
[straat 2] 785A heeft een oppervlakte van 1.360 m².
[straat 2] 785B heeft een oppervlakte van 1.360 m².
[straat 2] 785C heeft een oppervlakte van 1.360 m².”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt daaraan het volgende feiten toe.
2.3.1.
Voor de behandeling van beide zaken (die bij het Hof zijn aangeduid met de kenmerken 24/234 en 24/235) is door de rechtbank aan (de gemachtigde van) belanghebbende één nota griffierecht verzonden voor een bedrag van € 360.
2.3.2.
De rechtbank heeft (de gemachtigde van) belanghebbende op 23 maart 2022 een aanmaning tot betaling van het griffierecht aangetekend gezonden.
2.3.3.
Bij brief van 28 maart 2022 heeft de gemachtigde van belanghebbende primair een beroep op betalingsonmacht gedaan teneinde vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens geringe financiële draagkracht te verkrijgen (hierna: bobog-verzoek) en subsidiair uitstel van betaling van het griffierecht verzocht voor ten minste zes maanden.
2.3.4.
Op 20 april 2022 heeft (de gemachtigde van) belanghebbende € 49 aan griffierecht betaald.
2.3.5.
Per brief met dagtekening 3 juni 2022 heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende verzocht gegevens te overleggen ter onderbouwing van het bobog-verzoek.
2.3.6.
Per brief met dagtekening 21 juli 2022 heeft de rechtbank het bobog-verzoek afgewezen.
2.3.7.
Per brief met dagtekening 25 juli 2022 heeft (de gemachtigde van) belanghebbende opnieuw een bobog-verzoek ingediend.
2.3.8.
Op 5 oktober 2022 heeft de rechtbank, althans het Landelijk Dienstencentrum voor de rechtspraak, de door (de gemachtigde van) belanghebbende betaalde € 49 aan griffierecht teruggestort.
2.3.9.
De rechtbank heeft (de gemachtigde van) belanghebbende een nieuwe nota griffierecht met dagtekening 5 oktober 2022 gezonden.
2.3.10.
De rechtbank heeft (de gemachtigde van) belanghebbende op 3 november 2022 een aanmaning tot betaling van het griffierecht aangetekend gezonden.
2.3.11.
Per brief met dagtekening 10 november 2022 heeft (de gemachtigde van) belanghebbende voor de derde keer een bobog-verzoek ingediend.
2.3.12.
Per brief van 18 april 2023 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer geschreven dat hij erop is gewezen dat een overgelegde machtiging niet toereikend was, dat hij in de gelegenheid is gesteld het gebrek uiterlijk 17 april 2023 te herstellen en dat hij van die geboden mogelijkheid tot herstel niet adequaat gebruik heeft gemaakt.
2.3.13.
Vanwege het ontbreken van een toereikende machtiging op 18 april 2023 kon de op die dag geplande mondelinge behandeling van het beroep geen doorgang vinden en diende er een nieuwe datum voor de behandeling ter zitting te worden gepland, hetgeen uiteindelijk 14 november 2023 is geworden.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep met kenmerk HAA 22/807 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens is in geschil of de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld en of belanghebbende nog recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt de heffingsambtenaar aangeduid als ‘verweerder’):

Geschil en standpunten van partijen
(…)
6. (…) De griffier heeft eiseres bij brief van 22 februari 2022 een nota gestuurd en haar in de gelegenheid gesteld het griffierecht ad € 360 [
Hof:voor de zaken met kenmerk HAA 22/807 én HAA 22/808] te betalen binnen vier weken na dagtekening van de brief. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. Aangezien het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan, heeft de griffier op 23 maart 2022 een herinnering gestuurd. Nadien heeft de griffier gecorrespondeerd met de gemachtigde met betrekking tot het gedane beroep op betalingsonmacht. Dat beroep is bij brief van 21 juli 2022 afgewezen bij gebreke aan enigerlei onderbouwing van de gestelde betalingsonmacht. Op 5 oktober 2022 is nogmaals een nota gestuurd met een te betalen bedrag aan griffierecht van € 360.
Aangezien het verschuldigde bedrag niet binnen de gestelde termijn was ontvangen is op 3 november 2022 wederom een herinnering verzonden. Deze laatste brief is aangetekend verzonden en afgehaald op 8 november 2022. In laatstgenoemde brief staat onder meer: “Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid het griffierecht te betalen.”
7. Volgens de bij de rechtbank beschikbare informatie is op 20 april 2022 een bedrag van € 49 betaald (dat is terugbetaald) terwijl het verschuldigde bedrag aan griffierecht € 360 bedraagt. De griffier heeft het vorenstaande vastgelegd in de brief van 18 april 2023 welke brief is gericht aan de gemachtigde. Daarin is tevens gewezen op de gebreken in de machtiging. De machtiging was slechts door een en niet door de twee gezamenlijk bevoegde bestuurders ondertekend zoals de statuten voorschrijven. De nieuw toegezonden machtiging is medeondertekend door een persoon die bij het instellen van het beroep niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen. Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat de geplande mondelinge behandeling van het beroep op 18 april 2023 geen doorgang kon vinden.
Beoordeling van het geschil
8. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet, niet volledig of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht als verzuim verschoonbaar is. Van zodanige feiten is de rechtbank niet gebleken.
9. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat er geen enkele reden was om niet het juiste bedrag aan griffierecht te betalen. Eiseres is een groot bedrijf. Er is een fout gemaakt, waarbij abusievelijk het griffierecht voor een eenmanszaak is betaald. De rechtbank heeft de gemachtigde ook geen verzoek voor suppletie van het griffierecht gestuurd. Als de gemachtigde een dergelijk verzoek had ontvangen, dan had hij voor de benodigde suppletie zorggedragen. De gemachtigde is van mening dat hij recht heeft op een termijn om het verzuim te herstellen. Dit verzuim is verschoonbaar.
10. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig betalen van het volledige bedrag aan griffierecht in de onderhavige zaak niet verontschuldigbaar is en dat de gemachtigde geen termijn voor het herstel van het verzuim hoeft te worden geboden. De gemachtigde is een professionele procespartij, die er bewust voor kiest om in een groot deel van de zaken waarin hij de gemachtigde is na de ontvangst van de (laatste) herinnering voor het betalen van het griffierecht slechts een deel van het door hem verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Een dergelijke keuze dient voor rekening en risico van eiseres en haar gemachtigde te blijven. Dat de gemachtigde in sommige van zijn zaken een nieuwe (laatste) herinnering ontvangt, heeft te maken met het in die zaken voortdurend herhalen van beroepen op betalingsonmacht welke nimmer door hem worden onderbouwd. Dit maakt echter niet dat de rechtbank gehouden is om de gemachtigde in iedere zaak na iedere deelbetaling de gelegenheid moet bieden om het ontbrekende griffierecht te suppleren. Bijgevolg komt de rechtbank niet toe aan het geven van een oordeel over de waarde van de onroerende zaak [straat 1] te [plaats 2] .
11. De rechtbank merkt nog op dat zij bij brief van 17 maart 2022 aan de gemachtigde heeft medegedeeld dat de zaken zijn gesplitst in de kenmerken HAA 22/807 en HAA 22/808. In de laatstvermelde zaak is geen griffierecht geheven (vergelijk artikel 8:41 lid 3 van de Awb). Eiseres heeft gesteld dat zij deze brief niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft ter zitting aan de gemachtigde de kopie van de verzonden brief gericht aan het postadres van gemachtigde getoond en meegedeeld dat de brief aangetekend is verzonden en voor ontvangst is getekend. De ter zitting gedane ontkenning van de ontvangst acht de rechtbank niet geloofwaardig en zij gaat daaraan dan ook voorbij. Voor de beslechting van het voorliggende geschil mist dit betoog overigens fiscale relevantie.
12. Nu het verschuldigde griffierecht niet op tijd volledig is betaald en naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken is van een verontschuldiging voor dit verzuim, is het beroep niet-ontvankelijk en het in augustus 2022 betaalde bedrag van € 49 zal aan eiseres worden terugbetaald.
13. In het beroep heeft eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarover aan het slot van de uitspraak een oordeel geven.
14. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de machtiging. Nu het beroep reeds niet-ontvankelijk op het niet volledig voldaan hebben van het juiste bedrag aan griffierecht gaat de rechtbank uit een oogpunt van proceseconomie aan de kwestie van de machtiging en het beroep op het gelijkheidsbeginsel voorbij.
Zaaknummer HAA 22/808 (waarde van de onroerende zaken [straat 2] 785A, 785B en 785C)
15. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
16. Op grond van artikel 4 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, bepaald voor:
a. woningen: door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn;
b. niet-woningen: door middel van een methode van kapitalisatie van de brutohuur, door middel van een methode van vergelijking als bedoeld onder a, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.
17. De rechtbank stelt voorop dat het elke partij vrijstaat om ter voldoening aan haar bewijslast al dan niet gebruik te maken van (een) waarderingsmethode(n) en, indien zij gebruik maakt van (een) waarderingsmethode(n), eveneens vrij is in de keuze van de door haar gebruikte waarderingsmethode(n). Waarderingsmethoden zijn niet meer dan hulpmiddelen bij de waardebepaling. De rechter toetst uitsluitend of de door de verweerder voorgestane waarde en, indien het de rechtbank aan de toetsing van de door eiseres verdedigde waarde toekomt, de door eiseres verdedigde waarde, aan het wettelijke waardebegrip doorstaan (vgl. HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA8610). Betreft het geschil de marktwaarde van een onroerende zaak, zoals hier het geval is, dan is de enige toetssteen voor de rechter derhalve het bepaalde in artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. Bovendien geldt dat het verweerder daarbij vrij staat om de vergelijkingsobjecten te kiezen, die hem in dat kader het beste voorkomen.
18. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van elk van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft de waarde van de onroerende zaken onderbouwd aan de hand van de in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling, genoemde methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens in de vorm van verkoopgegevens beschikbaar zijn.
De rechtbank acht dat in beginsel een goede vergelijkingsmethode. De rechtbank zal, hoewel het een indicatie is voor de waarde per de waardepeildatum van de onroerende zaken, geen acht slaan op het eigen verkoopcijfer van € 3.850.0000 van de drie onroerende zaken (inclusief 70 parkeerplaatsen). Daartoe overweegt zij dat dit verkoopcijfer op 16 juni 2021 is gerealiseerd en dus te ver van de waardepeildatum is gelegen,
19. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
20. Verweerder heeft gesteld dat de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar zijn. Een aantal verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn gerealiseerd in en rondom het Covid-tijdperk en lockdowns. Daarmee worden alle eventuele door eiseres aangedragen waardedrukkende omstandigheden geacht te zijn verdisconteerd in deze verkoopcijfers. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij de verkooptransacties niet in het Kadaster heeft kunnen vinden. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden en de rechtbank is van oordeel dat het zijdens de gemachtigde louter een blote stelling betreft.
21. Verweerder heeft voorts aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaken en de vergelijkingsobjecten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de bij het verweerschrift overgelegde matrices een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarden aan de hand van de voor elk van de onroerende zaken gehanteerde vierkantemeterprijs. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal van de onroerende zaken en de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft blijkens de matrix een significant lagere prijs per vierkante meter (€ 989,71)gehanteerd voor de onroerende zaken dan voor de vergelijkingsobjecten (variërend van € 1.624,55 tot € 2.041,27). Dat sprake is van een gebrekkige onderhoudssituatie, lokale verpaupering, en rekening zou moeten worden gehouden met een rompslompforfait en met de sterke prijsstijgingen in de afgelopen jaren, heeft bij gebreke van enige onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat dan ook aan deze stellingen voorbij. Dat laatste geldt evenzeer voor het door eiseres gestelde waardedrukkende effect als gevolg van de coronacrisis. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid de gehele maatschappij heeft geraakt, het geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 18, lid 3, letter c, van de Wet WOZ welke louter de onroerende zaak zelf betreft. Laatstgenoemd gestelde waardedrukkend effect is derhalve verdisconteerd in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
22. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij aan al hetgeen eiseres heeft gesteld met betrekking tot de kapitalisatiefactor, het leegstandsrisico en de grondstaffels voorbijgaat aangezien deze stellingen, in het geheel niet ter zake doende zijn, nu verweerder ter onderbouwing van de waarde is uitgegaan van gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten,.
23. De enkele stelling van eiseres dat een korting van 40 percent moet worden toegepast op de waarde kan niet slagen, omdat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd en derhalve niet aannemelijk is gemaakt. Ook het verzoek om de akten van levering – daarin staat tevens de datum van de koopovereenkomst vermeld - in het geding te brengen wijst de rechtbank af nu dit openbare gegevens te verkrijgen bij het Kadaster. Het zijn derhalve geen bescheiden welke vallen onder artikel 8:42 van de Awb. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder de verkoopprijzen heeft geïndexeerd vanaf de datum van de obligatoire overeenkomst naar de waardepeildatum.
24. De rechtbank overweegt bovendien dat daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat taxeren geen exacte wetenschap is. Het gaat er uiteindelijk om of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de totale eindwaarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld
(vgl. gerechtshof Den Haag 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1652 en gerechtshof Amsterdam 7 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3807) en dat heeft verweerder gedaan.
25. Al hetgeen eiseres overigens of anders nog heeft aangevoerd, waaronder de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, een civielrechtelijk arrest, en de verwijzing naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6734, rechtsoverweging 4.6, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt zij dat de verwijzing naar voornoemd arrest en uitspraak toepassing mist toepassing nu in het te berechten geschil de onderbouwing van de beschikte waarden is geschied op basis van gerealiseerde verkooptransacties en niet wordt gewerkt met geschatte huurbedragen.
De rechtbank merkt bovendien nog op dat eiseres geen begin van onderbouwing heeft gegeven van de door haar bepleite eindwaarde (een verlaging met 25 percent).
26. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep in de zaak HAA 22/808 ongegrond moet worden verklaard.
Verzoek vergoeding immateriële schade (HAA 22/808)
27. Eiseres heeft in beginsel aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor een dergelijke vergoeding is aanleiding als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat het bezwaarschrift is ingediend, uitspraak doet. Eiseres heeft dan recht op een vergoeding van € 500 voor elk halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden waarbij een gedeelte van minder dan 6 maanden naar boven wordt afgerond. In dit geval is het bezwaarschrift op 11 maart 2021 ontvangen, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 1 december 2021 en de rechtbank doet uitspraak op 15 december 2023. De redelijke termijn is dus met afgerond 8 maanden overschreden en op die grond zou eiseres recht hebben op een schadevergoeding van € 1.000.
Niettemin is de rechtbank van oordeel dat voor een schadevergoeding geen aanleiding is. Daartoe overweegt zij het volgende. In haar uitspraak van 29 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4543, in een zaak waarin de gemachtigde ook als zodanig optrad, heeft de Rechtbank Midden-Nederland het volgende overwogen:
“18.3. Bij het bezwaarschrift heeft de gemachtigde van eiseres een “VOLMACHT INZAKE WOZ/OZB/WATERSCHAPSLASTEN/ZUIVERINGSHEFFING/BIZ C.A.” (de volmacht) overgelegd. De volmacht is in “Februari/maart/april 2021”opgesteld en op 26 april 2021 door [naam] namens eiseres ondertekend. In de volmacht wordt Bartels Consultancy B.V. (de BV van gemachtigde) – voor zover hier van belang en kort samengevat – gemachtigd om eiseres in bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie “ter zake uitsluitend het in de aanhef van deze volmacht genoemde onderwerp” te vertegenwoordigen. De volmacht bevat de volgende passage:
“Onder deze machtiging wordt ook uitdrukkelijk geschaard de bevoegdheid om de van de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband (waarbij de gemeente is aangesloten) bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring te ontvangen bijdrage c.q. tegemoetkoming in de door mij noodzakelijkerwijs te maken proceskosten te laten storten op [de bankrekening van de BV van gemachtigde]. Ondergetekende draagt al zijn/haar bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 Awb waarbij [de BV van gemachtigde] is opgetreden als gemachtigde over aan [de BV van gemachtigde] en gelast hierbij de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband c.q. de Ministerie van Justitie en Veiligheid om de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken aan [de BV van gemachtigde] op [de eerdergenoemde bankrekening]. Mutatis mutandis geldt dat ook voor alle andere daarmee gelijk te stellen (proces)kostenvergoedingen, waaronder de immateriële vanwege onredelijke termijnoverschrijdingen. Uiteraard dient het teveel betaalde aan lokale heffingen rechtstreeks [de bankrekening] van mij, volmachtgever, gestort te worden […]”
Gelet op deze passage in de volmacht zou inwilliging van het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet ertoe leiden dat eiseres wordt gecompenseerd voor de door haar geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie als gevolg van het uitblijven van een beslissing op het beroep binnen een redelijke termijn, maar zou wat als compensatie van spanning en frustratie van eiseres is bedoeld, in werkelijkheid winst voor de BV van de gemachtigde van eiseres vormen. Het belang van eiseres is derhalve niet rechtstreeks bij het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om schadevergoeding betrokken. Op deze grond wijst de rechtbank het door de gemachtigde van eiseres ingediende verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
28. In deze zaak is een machtiging overgelegd die gelijkluidend is aan de machtiging die is genoemd in de hierboven geciteerde uitspraak. Feiten en omstandigheden om in deze zaak anders te oordelen, zijn gesteld noch gebleken. Bovendien heeft de gemachtigde in de loop van het geding verzocht om vermindering van griffierecht wegens betalingsonmacht. De gemachtigde heeft zijn verzoek, hoewel hij daartoe door de rechtbank wel in de gelegenheid is gesteld, niet gemotiveerd, maar daarmee de procedure wel nodeloos verlengd. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade en zal zij het daartoe gedane verzoek afwijzen.
29. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel zal de rechtbank niet nader ingaan op de verlenging van de redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg, welke in redelijkheid dient te worden verlengd gelet op het procesgedrag van de gemachtigde voorafgaand aan het kunnen plannen van de mondelinge behandeling op 14 november 2023. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 7 is opgenomen met betrekking tot de samenhangende zaak met kenmerk HAA 22/807.
30. Voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op de zaak met nummer HAA 22/807 overweegt de rechtbank nog het volgende. In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de rechtbank (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712 en van 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:42). De niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep brengt mee dat het optreden van verweerder in zoverre niet meer aan het oordeel van de belastingrechter is onderworpen.
Proceskosten
31. Nu het beroep in de zaak met nummer HAA 22/808 ongegrond zal worden verklaard terwijl het beroep in de zaak met nummer HAA 22/807 niet-ontvankelijk zal worden verklaard en het verzoek om een schadevergoeding zal worden afgewezen is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook wordt het griffierecht niet vergoed.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.
De rechtbank is r.o. 8, 15 en 16 van het juiste wettelijke kader uitgegaan. Het Hof zal hier ook vanuit gaan.
[straat 1] te [plaats 1] (24/234)
5.2.
De klacht van belanghebbende dat de rechtbank haar beroepschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, faalt. De rechtbank heeft in r.o. 8 tot en met 12 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroepschrift niet-ontvankelijk is.
[straat 2] 785A, 785B en 785C te [plaats 2] (24/235)
5.3.
Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor deze objecten beschikte waardes, niet te hoog zijn vastgesteld. De grief faalt. Het Hof stelt daarbij voorop dat belanghebbende de objecten op 15 juni 2021 heeft verkocht voor een bedrag van in totaal € 4.300.000. Tussen partijen is niet in geschil dat de drie in geding zijnde objecten gelijkwaardig zijn. De WOZ-waarde van elk van drie de objecten is beschikt op € 1.346.000, tezamen op € 4.038.000.
5.4.
Het Hof is van oordeel dat reeds op grond van het door belanghebbende gerealiseerde
hogereverkoopcijfer (zie 5.3), aannemelijk is dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld. Dat de verkoop is gerealiseerd 18 maanden na de waardepeildatum, doet er niet aan af dat dit verkoopcijfer licht op de gezochte waarde werpt. Dit oordeel vindt ook steun in de door de heffingsambtenaar in de rapporten ‘waarde toetsing van [straat 2] 785A, 785B en 785C’ genoemde referentieobjecten, temeer nu de in die rapporten genoemde verkoopprijzen en/of objectkenmerken door belanghebbende niet zijn betwist. Dat deze objecten niet zouden kunnen dienen ter onderbouwing van de gezochte waardes, volgt het Hof niet.
5.5.
De klacht van belanghebbende dat door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de waardeontwikkeling in de periode tussen 1 januari 2020 (de waarde peildatum) en 15 juni 2021 (datum van de eigen verkoop), slaagt evenmin. Het Hof overweegt daartoe dat de waardepeildatum nog is gelegen vóór aanvang van de Coronacrisis (in maart 2020), terwijl belanghebbende de objecten heeft verkocht middenin die crisis. Zo er een waardeontwikkeling heeft plaatsgevonden in de hiervoor genoemde periode, acht het Hof veeleer aannemelijk dat deze waardeontwikkeling een negatief beeld laat zien. Nu door de heffingsambtenaar op het eigen verkoopcijfer geen opslag maar zelfs een afslag is toegepast van (in totaal) € 262.000, is de waarde zeker niet te hoog vastgesteld.
5.6.
De klacht van belanghebbende dat onvoldoende rekening is gehouden met het leegstandsrisico, met name ten aanzien van [straat 2] 785B, en/of een (matig) energielabel, faalt verder reeds omdat de effecten daarvan moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de voor de objecten gerealiseerde verkoopprijzen.
5.7.
Het beroep van belanghebbende op de uitspraak van Hof Arnhem/Leeuwarden van 13 juni 2025, ECLI: NL:GHARL:2025:3430, die betrekking heeft op de rioolheffing, faalt eveneens. De door belanghebbende, voor het eerst in hoger beroep, aangevoerde stelling dat haar bezwaren ook betrekking hadden op de aanslag rioolheffing, volgt het Hof niet. Een redelijke uitleg van de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften, waarin geen enkele grief wordt aangevoerd met betrekking tot de beschikkingen rioolheffing, brengt mee dat de heffingsambtenaar mocht volstaan met de door hem gedane uitspraken op bezwaar. Van een omissie van de heffingsambtenaar die herstel behoeft, is dan ook geen sprake.
5.8.
Belanghebbende stelt ook nog dat de heffingsambtenaar niet of te laat taxatiekaarten heeft overgelegd. De heffingsambtenaar heeft dienaangaande in hoger beroep aangevoerd:
“De taxatieverslagen van de objecten zoals deze op de onderhavige aanslag zijn aangegeven, zijn bij de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift van 12 maart 2021 aan gemachtigde gezonden.
Op geen enkel tijdstip is door gemachtigde aangegeven dat deze niet zijn ontvangen, ook niet tijdens de hoorzitting van 17 juni 2021. Ik ben dan ook van mening dat er geen sprake is van een formeel gebrek.
Met het toezenden van de onderliggende stukken aan de Rechtbank zijn ook deze taxatieverslagen verstrekt. Ook hier kan dan ook geen sprake zijn van een formeel gebrek.”
5.9.
Het Hof ziet geen aanleiding om die verklaring in twijfel te trekken, zodat in zoverre geen sprake is van schending van art. 8:42 Awb. Ook de overige klachten van belanghebbende die betrekking hebben op een schending van art. 8:42 Awb, missen doel. Belanghebbende heeft namelijk niet gesubstantieerd dat (en welke) volgens hem ‘ontbrekende’ stukken (echt) van enig belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen, temeer de sjabloonmatig geformuleerde (standaard)verzoeken tot het overleggen van vele stukken, of althans gegevens, het karakter hebben van een schot hagel.
5.10.
Ook hetgeen overigens door belanghebbende in hoger beroep is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.
Immateriëleschadevergoeding
5.11.
Belanghebbende heeft voorts klachten gericht tegen de beslissing van de rechtbank om haar geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg. Dienaangaande stelt het Hof vast dat de redelijke termijn in de zaak met kenmerk 24/234 (HAA 22/807), waarin het beroep terecht nietontvankelijk is verklaard, is aangevangen op 30 december 2021, de datum van ontvangst van het beroepschrift. Uitgaande van de beslissing van de rechtbank dat het beroep in de zaak met kenmerk 24/235 (HAA 22/808) wel ontvankelijk is (hoewel het niet betaalde griffierecht ook voor die zaak was geheven), is de redelijke termijn in die zaak aangevangen bij de ontvangst van het bezwaarschrift op 11 maart 2021.
5.12.
Hoewel de berechting langer heeft geduurd dan 18 maanden (zaak 24/234) dan wel 24 maanden (zaak 24/235), heeft de rechtbank geen aanleiding gezien tot het toekennen van een immateriëleschadevergoeding. Zij heeft daaraan twee gronden ten grondslag gelegd, waarvan de eerste is besproken in r.o. 27 en 28 van haar uitspraak en de tweede in r.o. 29 daarvan. In laatstgenoemde overweging oordeelt zij dat de redelijke termijn dient te worden verlengd gelet op het procedeergedrag van de gemachtigde.
5.13.
Het Hof volgt de rechtbank in die laatstgenoemde grond, onder verwijzing naar de feiten zoals weergegeven in r.o. 2.3.1 tot en met 2.3.13. Hieruit volgt dat (de gemachtigde van) belanghebbende meerdere zogenoemde bobog-verzoeken heeft ingediend tussen 28 maart 2022 tot en met 11 november 2022, welke verzoeken op geen enkele wijze zijn onderbouwd, ook niet nadat om onderbouwing was verzocht. De gemachtigde, die ruime ervaring heeft met het doen van niet-onderbouwde bobog-verzoeken, wist dat de verzoeken zo geen kans van slagen hadden. De enige verklaring voor zijn – aan belanghebbende toe te rekenen – handelen is daarom het willen vertragen van de procedure. De daardoor ontstane vertraging (van 7 maanden, namelijk van vier weken na 23 maart 2022 tot en met vier weken na 3 november 2022) dient dan ook voor rekening van belanghebbende te blijven. Vervolgens, toen een uitnodiging voor de behandeling ter zitting al was verstuurd, bleek dat de gemachtigde een niet toereikende machtiging had overgelegd, op welk verzuim de rechtbank hem heeft gewezen. Daarop is de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen nog voorafgaand aan de reeds geplande zitting op 18 april 2023, maar dat herstel heeft niet adequaat plaatsgevonden, waardoor de behandeling ter zitting op het laatste moment geen doorgang kon vinden en een nieuwe zitting moest worden ingepland (op 14 november 2023). Al deze feiten en omstandigheden tezamen genomen rechtvaardigen een verlenging van de redelijke termijn met ten minste 9 maanden, zodat de redelijke termijn niet is overschreden en geen aanleiding bestaat voor toekenning van een immateriëleschadevergoeding.
Slotsom
5.14.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

6.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 14 oktober er 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: