ECLI:NL:GHAMS:2025:3583

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
200.322.701
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:309 BWArt. 3:317 BWArt. 3:71 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging effectenleaseovereenkomsten en stuiting verjaring door gevolmachtigde

De zaak betreft het hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote van de afnemer zijn vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW. De kern van het geschil is of de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling door de gevolmachtigde Leaseproces tijdig is gestuit.

De feiten zijn niet in geschil. De effectenleaseovereenkomsten zijn gesloten tussen de afnemer en een rechtsvoorgangster van Dexia en later beëindigd. De echtgenote heeft zonder schriftelijke toestemming de overeenkomsten vernietigd. Dexia betwist de stuiting van de verjaring door de brieven van Leaseproces namens de echtgenote.

Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gestuit door de brieven van Leaseproces van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat ook de vorderingen van de echtgenote worden gehandhaafd. Dexia heeft niet tijdig om bewijs van volmacht gevraagd, waardoor het beroep op artikel 3:71 BW Pro faalt. De verjaring is dus tijdig gestuit en Dexia is gehouden tot terugbetaling van de betaalde bedragen.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het verjaringsverweer van Dexia af, waardoor Dexia gehouden is tot terugbetaling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.322.701/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9258194 EL 21-120
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2025
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] , gemeente Hoeksche Waard,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

De afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. [geïntimeerde] van de afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens [geïntimeerde] de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.

2.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 19 januari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 3 november 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties;
- antwoordakte echtgenote.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 18 november 2021 onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
08-12-1998
[naam 1]
36 mnd
08-12-2004
-/- € 1.745,80
2.
[nummer 2]
08-12-1998
[naam 1]
36 mnd
08-12-2004
-/- € 1.745,80
3.
[nummer 3]
08-12-1998
[naam 1]
36 mnd
08-12-2004
-/- € 1.745,80
4.
[nummer 4]
01-10-1999
[naam 2]
120 mnd
01-10-2009
-/- € 1.850,26
5.
[nummer 5]
01-10-1999
[naam 2]
120 mnd
01-10-2009
-/- € 1.850,26
6.
[nummer 6]
10-03-2000
[naam 2]
120 mnd
09-03-2010
-/- € 2.032,08
7.
[nummer 7]
10-03-2000
[naam 2]
120 mnd
09-03-2010
-/- € 1.379,82
8.
[nummer 8]
08-06-2000
[naam 3]
36 mnd
27-01-2005
-/- € 6.563,92
9.
[nummer 9]
16-10-2000
[naam 4]
120 mnd
01-11-2010
-/- € 5.910,28
Effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 3 zijn op 2 juli 2002 met eenzelfde termijn verlengd.
3.2.
[geïntimeerde] , met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
3.3.
Bij brief van 20 februari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.

4.Beoordeling

4.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW Pro een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afnemer en [geïntimeerde] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
4.2.
Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW Pro zijn vernietigd.
4.3.
Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling. [geïntimeerde] voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.
4.4.
De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW Pro). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 20 februari 2006 buitengerechtelijk vernietigd door [geïntimeerde] en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van [geïntimeerde] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007
(HR9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
4.5.
[geïntimeerde] betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afnemer, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder [geïntimeerde] , aan Dexia heeft gestuurd.
4.6.
Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):

(…)
De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”
Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.
Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW Pro is voldaan.
Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op [geïntimeerde] , nu Dexia erkent dat de afnemer op de lijsten behorende bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 staat vermeld.
4.7.
Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens [geïntimeerde] enige verjaring te stuiten. In grief 1 voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW Pro geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW Pro omschreven wijze wordt geleverd.
4.8.
Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afnemer als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens [geïntimeerde] te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [geïntimeerde] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW Pro geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afnemer en [geïntimeerde] ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 31 mei 2021 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16).
4.9.
Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van [geïntimeerde] aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling.
4.10.
Uit het vorenstaande volgt dat namens [geïntimeerde] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.
Slotsom
4.11.
Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4.12.
Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 1.780,00
- salaris advocaat
€ 1.214,00(tarief II, 1 punt)
totaal € 2.994,00

5.Beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
5.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.994,00 en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.