Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
grief IIIbetoogd dat deze feiten onjuist dan wel onvolledig zijn. Voor zover de grief terecht is aangevoerd, zal het hof bij de hierna te noemen feiten hiermee rekening houden. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.
waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;
die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;
die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie, Stcrt. 2009, nr. 13896, dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;
die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen. Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten. (…)”
“Bedrijfsonderzoek(…)
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief Ivoert [appellant] aan dat de weergave van het procesverloop in het bestreden vonnis onjuist is omdat daarin niet is vermeld dat [appellant] een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen. Deze grief faalt omdat de kantonrechter onder “Verloop van de procedure” heeft vermeld dat [appellant] een conclusie van antwoord in reconventie heeft ingediend en blijkens de inhoud van het vonnis de kantonrechter daarop acht heeft geslagen.
Grief IIIis reeds besproken in het kader van de opsomming van de feiten onder 3. [geïntimeerde] bestrijdt de (overige) grieven.
grieven II, IV en Vbetoogt [appellant] dat de kantonrechter het juridisch kader onjuist heeft toegepast en ten onrechte heeft geoordeeld dat zij verplicht is aangesloten bij [geïntimeerde] . [appellant] betwist dat iedere werkgever die onder de werkingssfeer valt vanzelf ook onder de verplichtstelling valt. Ter toelichting voert zij verder het volgende aan. De begrippen bedrijfstak en werkingssfeer zijn niet gelijk aan elkaar. De werkingssfeer die wordt bepaald door de sociale partners, wordt beperkt en begrensd door de bedrijfstak. Bij een bedrijfstak gaat het om gelijkgerichte activiteiten en bedrijfstakbrede solidariteit. De verplichtstelling ziet alleen op bepaalde groepen binnen de bedrijfstak voor Mode, Interieur, Tapijt en Textielindustrie. [appellant] behoort niet tot deze bedrijfstak en valt dus niet onder de verplichtstelling. [appellant] handelt immers niet in mode, kleding of interieurartikelen maar in veiligheidsproducten voor de luchtvaart. [appellant] moet aan allerlei kostbare voorwaarden in de luchtvaartwetgeving voldoen. Zij is daarom geen aan [geïntimeerde] -bedrijven gelijk te stellen onderneming. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid kan geen sprake zijn van een verplichting tot aansluiting, of dient - subsidiair - de duur van de terugwerkende kracht te worden beperkt. De assemblagewerkzaamheden aan de spanbanden maken slechts 3,3% van de omzet uit en [appellant] dient vanwege dit geringe percentage buiten de verplichtstelling te blijven. Dat de verplichtstelling zelf geen hoofdzakelijkheidscriterium bevat, betekent niet dat deze omstandigheid niet van belang is bij de redelijkheidstoets. Bovendien is de tekst van het verplichtstellingsbesluit onduidelijk en verwarrend, heeft [geïntimeerde] in 2020 haar handhavingsbeleid gewijzigd, stond [geïntimeerde] niet open voor overleg met [appellant] , zit er een nieuw verplichtstellingsbesluit aan te komen waarin wel een ondergrens is opgenomen, en heeft [appellant] altijd te goeder trouw gehandeld. Ten slotte betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte alleen heeft vermeld wat de inschrijving in het handelsregister vermeldt onder bedrijfsactiviteiten, terwijl dat geen adequate weergave van de feitelijke activiteiten van [appellant] is, en worden onjuiste, te hoge omzetcijfers gehanteerd.
grief VIbestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [geïntimeerde] niet is verjaard. [appellant] stelt dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat de vordering opeisbaar is en dat het moment van opeisbaarheid niet ten voordele van [geïntimeerde] kan worden opgeschoven met een niet toelaatbare afwijking van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het uitvoeringsreglement. Volgens [appellant] kan het verweer van [geïntimeerde] dat zij haar vordering mede heeft gebaseerd op onrechtmatige daad haar niet baten omdat die grondslag onvoldoende is onderbouwd. [appellant] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, waarbij ook de goede trouw een rol speelt. Verder betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat [geïntimeerde] niet de bevoegdheid heeft om in haar uitvoeringsreglement eenzijdig af te wijken van de wettelijke en absolute verjaringstermijnen.