Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
allesbinnen haar macht heeft gedaan om aan te tonen dat zij niets met de bankrekening van doen heeft en dat verder niets van haar kan worden verlangd. Deze stelling strookt evenwel niet met de omstandigheid dat [appellant] hierover niet, althans niet aantoonbaar, contact heeft gezocht met haar ex-partner, [naam 3] , met wie zij heeft samengewoond. Dit laatste had in redelijkheid van [appellant] mogen worden verwacht aangezien op de bankafschriften bij de Revolutrekening een aantal malen de naam van [naam 3] voorkomt bij transacties wat [appellant] zelf opvallend noemt, en [appellant] - naar eigen zeggen - rekening hield met de mogelijkheid dat [naam 3] de bankrekening bij Revolut op [appellant] naam heeft geopend en zodoende dus de identiteitsfraude heeft gepleegd. In het licht van een te verkrijgen schone lei had van [appellant] mogen worden verwacht dat zij voortvarend en aantoonbaar contact met voornoemde [naam 3] zou hebben gezocht om haar hierover te bevragen (wat overigens niet hetzelfde is als beschuldigen zonder bewijs). Het voldoende aannemelijk maken dat [naam 3] de bankrekening zonder wetenschap van [appellant] heeft geopend, ondersteunt immers [appellant] eigen stelling dat zij het niet is geweest die deze bankrekening heeft geopend. [appellant] heeft desgevraagd eerst ter zitting van het hof verklaard dat zij [naam 3] wel heeft gebeld, maar dat [naam 3] meteen zou hebben opgehangen omdat zij niet langer met elkaar op goede voet zouden staan. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat [appellant] haar heeft gebeld. [appellant] heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat zij [naam 3] geen e-mail of ander bericht heeft gestuurd en als reden daarvoor opgegeven dat [naam 3] haar heeft geblokkeerd. Ook als [appellant] zou zijn geblokkeerd, hetgeen op geen enkele wijze is gebleken, of als [naam 3] berichten van [appellant] zou hebben genegeerd, lag het nog op [appellant] weg om ten minste pogingen te doen [naam 3] aan te schrijven en daarvan schriftelijk bewijs over te leggen. In ieder geval had zij [naam 3] een sms-bericht kunnen sturen. En anders had [appellant] kunnen proberen om op andere manieren met [naam 3] in contact te komen, bijvoorbeeld in persoon of via gezamenlijke kennissen dan wel haar advocaat. Dit alles heeft [appellant] echter niet of onvoldoende aantoonbaar gedaan. Reeds zo beschouwd, heeft [appellant] dus niet alles gedaan wat binnen haar macht lag om aannemelijk te maken dat zij niets met de bankrekening van Revolut van doen heeft. Overigens acht het hof het onbegrijpelijk dat [appellant] heeft verzuimd in de aangifte van identiteitsfraude van 10 oktober 2025 melding te maken van de e-mail van 9 oktober 2025 van Revolut Klantenservice aan [appellant] waarin onder meer staat dat na controle er geen frauduleus gebruik van de identiteit in de administratie is gevonden. De in algemene bewoordingen gedane mededeling dat Revolutbank volgens [appellant] bekend zou staan als "fraudebank nummer 1" zonder enige concrete en specifieke onderbouwing doet aan voornoemde melding van Revolut Klantenservice niet af.