ECLI:NL:GHAMS:2025:3665

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.361.690
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens tekortkomingen in verplichtingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de appellant. De rechtbank had eerder op 12 november 2025 de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder het verlenen van een schone lei, omdat de appellant zijn verplichtingen niet was nagekomen. Gedurende de verlenging van de looptijd van de regeling, die met 18 maanden was verlengd, heeft de appellant zijn boedelachterstand niet ingelopen, maar is deze zelfs opgelopen tot meer dan vijfduizend euro. Daarnaast heeft hij nieuwe schulden gemaakt ter hoogte van € 4.500,-. Het hof heeft vastgesteld dat de appellant niet ter zitting is verschenen en geen contact heeft gehad met zijn advocaat of bewindvoerder na het indienen van het beroepschrift. De appellant had in zijn beroepschrift aangegeven dat hij vanaf januari 2026 in het buitenland zou gaan werken en verwachtte zijn boedelachterstand binnen zes maanden te kunnen inlossen, maar heeft deze stelling niet onderbouwd met een concreet plan. Het hof concludeert dat de tekortkomingen van de appellant in de nakoming van zijn verplichtingen voldoende aanwijzing geven dat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de schuldsaneringsregeling. De grieven van de appellant falen, en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.690/01
insolventienummer rechtbank : C/13/21/86-R
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.

1.Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] is bij per e-mail op 20 november 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2025, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] heeft beëindigd zonder hem de zogenoemde schone lei te verlenen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 16 december 2025. Bij die behandeling is
mr. Van der Linden voornoemd verschenen die in de gelegenheid is gesteld het beroepschrift nader toe te lichten. [appellant] is niet verschenen. Mr. Van der Linden heeft desgevraagd verklaard dat [appellant] van de zitting van heden op de hoogte is en dat hij na het indienen van het beroepschrift geen contact meer met hem heeft gehad. Voorts is de bewindvoerder, B.M. Wiersema, verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de schriftelijke reactie van de bewindvoerder van 9 december 2025, met bijlagen. Mr. Van der Linden en de bewindvoerder hebben verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft - onder aanvoering van twee grieven - in het beroepschrift verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen met maximaal zes maanden om hem gelegenheid te geven de boedelachterstand in te lossen. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. [appellant] betwist dat hij tijdens de verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niets aan de boedel heeft afgedragen. Hij stelt dat hij in augustus 2025 en september 2025 betalingen aan de boedel heeft verricht van in totaal € 170,-. [appellant] erkent dat hij de boedelachterstand zoals die bestond ten tijde van de beslissing tot verlenging van de looptijd, een bedrag van € 3.861,87, niet is ingelopen maar dat deze boedelachterstand is toegenomen. [appellant] was niet in staat het maandelijkse bewindvoerderssalaris te voldoen. [appellant] stelt dat hij zijn financiële situatie te florissant had ingeschat en dat hem niet te verwijten valt dat hij geen € 400,- per maand heeft kunnen aflossen. In de periode juli 2024 tot en met november 2024 ontving [appellant] een WW-uitkering van € 1.327,35 netto per maand, waarmee hij zijn vaste lasten niet volledig kon betalen. Hierdoor ontstonden nieuwe schulden en was afdracht aan de boedel niet mogelijk. [appellant] verwacht vanaf januari 2026 in het buitenland te gaan werken en een hoger inkomen te verdienen waarmee de huidige boedelachterstand van € 4.861,87 binnen zes maanden zal kunnen worden ingelopen. Ten aanzien van de informatieverplichting stelt [appellant] dat hij in februari 2025 contact heeft gehad met de bewindvoerder en dat hij op 15 april 2025 de bewindvoerder per e-mail heeft geïnformeerd over zijn situatie. [appellant] betwist de informatieverplichting te hebben geschonden door zijn verblijf op Curaçao. Tijdens de eindzitting heeft de rechtbank en/of de rechter-commissaris hem niet gewezen op de tekortkomingen gedurende de verlenging. [appellant] acht het onbegrijpelijk dat de bewindvoerder en/of de rechter-commissaris geen actie heeft of hebben ondernomen, bijvoorbeeld door een gesprek in te plannen of een verzoek tot tussentijdse beëindiging in te dienen, waarin zijn situatie besproken had kunnen worden.
2.2.
De bewindvoerder heeft onder verwijzing naar zijn schriftelijke reactie van 9 december 2025 in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Bij vonnis van 25 september 2024 heeft de rechtbank de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met 18 maanden teneinde [appellant] in staat te stellen de boedelachterstand in te lopen. De laatste afdracht aan de boedel dateert van 31 januari 2024. In de afgelopen 22 maanden heeft [appellant] geen enkele betaling verricht aan de boedel, waardoor de boedelachterstand is opgelopen tot € 5.031,87. [appellant] heeft steeds de indruk gewekt dat hij in staat was de boedelachterstand in te lopen, maar hij heeft daar geen uitvoering aan gegeven. De door [appellant] gestelde betalingen van in totaal € 170,-, naar zeggen van de bewindvoerder overigens een bedrag van € 175,-, zijn overgemaakt naar een bankrekening van Stichting Kredietbank Nederland. Deze gelden zijn door Stichting Kredietbank Nederland teruggestort op de rekening van [appellant] . Tot op heden is dit bedrag niet bijgeschreven op de boedelrekening. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk gewezen op zijn verplichtingen en meent dat een extra zitting bij de rechtbank geen effect zou hebben gehad. In de verslagen is [appellant] telkens gewezen op de boedelachterstand en het belang van het inlopen daarvan. Naast de boedelachterstand heeft [appellant] ook nieuwe schulden laten ontstaan. Blijkens een e-mail van 1 juli 2025 van [appellant] gaat het om een totaalbedrag van ongeveer € 4.500,-. De bewindvoerder verklaart ter zitting in hoger beroep dat hij bij e-mail van 3 november 2025 voor het laatst iets heeft vernomen van [appellant] . De bewindvoerder concludeert dat bij deze stand van zaken geen schone lei kan worden verleend en dat geen aanleiding bestaat voor een nieuwe verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling zoals in het beroepschrift is verzocht.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) te worden beoordeeld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze beoordeling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
2.4.
Vast staat dat [appellant] gedurende de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting en dat hierdoor een boedelachterstand is ontstaan van € 3.861,87. Bij vonnis van 25 september 2024 heeft de rechtbank de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met 18 maanden teneinde [appellant] in staat te stellen de boedelachterstand in te lopen. Sindsdien is deze achterstand evenwel opgelopen tot € 5.031,87. Na 31 januari 2024 heeft [appellant] geen betalingen meer verricht aan de boedel. Daarnaast is gebleken dat [appellant] gedurende de schuldsanerings-regeling nieuwe schulden heeft laten ontstaan zoals dit door hem ook is erkend bij zijn e-mail van 1 juli 2025 aan de bewindvoerder. Het totaalbedrag aan nieuwe schulden wordt geschat op ongeveer € 4.500,-. Ten slotte heeft [appellant] de informatieverplichting geschonden. Hij heeft van zijn verblijf in Curaçao, naar eigen zeggen in verband met het zoeken naar werk, geen melding gemaakt aan de bewindvoerder gemeld, hoewel hij daartoe gehouden was.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zowel de boedelafdrachtverplichting als de informatieverplichting, en dat hij daarnaast nieuwe schulden heeft gemaakt tot een bedrag van ongeveer € 4.500,-. [appellant] die niet ter zitting is verschenen en na het indienen van het beroepschrift geen contact meer heeft gehad met zijn advocaat en/of de bewindvoerder, heeft zijn stelling in het beroepschrift dat hij vanaf januari 2026 verwacht in het buitenland werkzaam te zijn en met zijn inkomen de boedelachterstand binnen zes maanden af kan lossen, niet nader toegelicht of onderbouwd. Een concreet plan van aanpak waaruit volgt hoe, en op welke wijze en binnen welke termijn, de boedelachterstand en de nieuwe schulden zullen worden voldaan, ontbreekt.
2.6.
Bovengenoemde tekortkomingen vormen voldoende aanwijzing dat bij [appellant] de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Van deze tekortkomingen valt [appellant] een verwijt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. [appellant] is immers zelf verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen gedurende de schuldsaneringsregeling. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Daarbij komt dat [appellant] diverse malen door de bewindvoerder en de rechtbank op zijn tekortkomingen is gewezen en door middel van een verlenging van de looptijd in de gelegenheid is gesteld de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen door (alsnog) aan de informatie- en afdrachtverplichting te voldoen. De genoemde tekortkomingen die niet als geringe tekortkomingen of vanwege de bijzondere aard op de voet van artikel 354 lid 2 Fw buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar, dat de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei gerechtvaardigd is.
2.7.
De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, L.Th.L.G. Pellis en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.