ECLI:NL:GHAMS:2025:3666

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.361.668
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de toekenning van de schone lei

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de appellant, die in hoger beroep was gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank had de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder de appellant de schone lei te verlenen. De appellant betwistte dat zij zich niet had gehouden aan de informatieverplichting en voerde aan dat zij aan de vereisten had voldaan. De bewindvoerder stelde echter dat de appellant tekort was geschoten in haar afdrachtverplichting, wat leidde tot een boedelachterstand van ongeveer € 13.000,-. Het hof oordeelde dat de appellant niet voldoende had aangetoond dat de tekortkomingen niet aan haar konden worden toegerekend. Het hof bevestigde dat de appellant gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet volledig had voldaan aan haar verplichtingen, wat leidde tot de conclusie dat de schuldsaneringsregeling zonder schone lei diende te worden beëindigd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de verzoeken van de appellant af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.668/01
insolventienummer rechtbank : 22/82 R
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] , gemeente Haarlemmermeer,
appellante,
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] is bij per e-mail op 19 november 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 11 november 2025, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] heeft beëindigd zonder haar de zogenoemde schone lei te verlenen.
Het hoger beroep is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep in de zaak met insolventienummer 200.361.646/01 van L.C.L. Buitrago ter zitting van 16 december 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal en mr. Van der Linden voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder,
M. Schuitemaker, verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank en de aan de zijde van de bewindvoerder op 9 december 2025 ter griffie van het hof ingekomen verslagen. Mr. Van der Linden en de bewindvoerder hebben eveneens verklaard te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft - onder aanvoering van drie grieven - in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te beëindigen met toekenning van de schone lei, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. [appellant] betwist dat zij zich niet heeft gehouden aan de informatieverplichting. Volgens haar blijkt uit het eindverslag van 27 mei 2025 dat zij tot en met februari 2025 aan deze verplichting heeft voldaan en heeft zij dit tot en met juli 2025 voortgezet, hetgeen door de bewindvoerder is bevestigd. De bewindvoerder heeft volgens [appellant] onvoldoende gecommuniceerd over extra kosten, de betekenis en omvang van een boedelachterstand en de noodzaak om deze binnen de looptijd in te lopen. Pas tegen het einde van de regeling werd zij hierover geïnformeerd. [appellant] is van mening dat de gestelde boedelachterstand haar niet verweten kan worden, met als gevolg dat de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden en haar de schone lei toekomt.
2.2.
De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Op 15 augustus 2025 heeft de bewindvoerder een e-mail naar [appellant] gestuurd en haar ervan op de hoogte gebracht dat de eindzitting op 2 september 2025 gepland was en dat er, vanwege het tekortschieten in de nakoming van de informatie- en afdrachtverplichting, geen positief advies aan de rechter-commissaris kon worden gegeven. De verplichtingen in de schuldsanerings-regeling zijn op 23 augustus 2022, voorafgaand aan het huisbezoek, door middel van een informatieblad aan [appellant] kenbaar gemaakt en uitgelegd. Daarnaast heeft de bewindvoerder in februari 2024 een e-mail ontvangen over bijkomende kosten die [appellant] stelde te hebben. De bewindvoerder heeft hier per e-mail op meerdere momenten op gereageerd. De benodigde stukken met betrekking tot de maanden april 2025 tot en met juli 2025 zijn pas op 12 september 2025 ontvangen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk erop gewezen dat de afdrachten aan de boedel niet goed verliepen. Desondanks heeft zij gedurende de schuldsaneringsregeling niet volledig voldaan aan de afdrachtverplichting. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder toegelicht dat zij geen verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan omdat het haar bedoeling was om in de schuldsaneringsregeling van [appellant] uiteindelijk een positief advies te geven inzake het verstrekken van de schone lei. De boedelachterstand bedraagt, anders dan (de advocaat van) [appellant] stelt, ongeveer € 13.000,-. De bewindvoerder heeft geen bezwaar tegen een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling opdat de boedelachterstand kan worden ingelopen.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. De grieven strekken ertoe dat de rechtbank ten onrechte de schone lei heeft onthouden aan [appellant] . Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 augustus 2022 is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [appellant] . Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) te worden beoordeeld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze beoordeling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan sprake zijn indien de schuldenaar de informatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
2.4.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [appellant] gedurende de eerste twee jaren van de looptijd van de schuldsaneringsregeling - nadat zij meermalen daarop was aangesproken - uiteindelijk heeft voldaan aan de afdrachtverplichting. Echter, in het jaar 2025 heeft [appellant] , met uitzondering van twee betalingen op 27 januari 2025 (€ 3.000,-) en 21 mei 2025 € 1.300,-), geen enkele afdracht meer verricht aan de boedel hoewel zij - gelet op de door de bewindvoerder berekende aflossingscapaciteit - daartoe gehouden was en meermalen hierop is gewezen. Aldus is [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting gedurende een langere periode. Anders dan (de advocaat van) [appellant] heeft gesteld, bedraagt de boedelachterstand niet € 25.000,- maar, conform de door bewindvoerder gemaakte berekeningen aan de hand van het geldende vrij te laten bedrag (vtlb) en de inkomsten van [appellant] en haar partner in de desbetreffende periode, ongeveer € 13.000,-. [appellant] heeft deze berekeningen van de bewindvoerder niet gemotiveerd bestreden zodat het hof van laatstgenoemd bedrag uitgaat. Wat betreft de informatiever-plichting is het hof met de bewindvoerder van oordeel dat thans geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van de informatieverplichting aangezien [appellant] op 12 september 2025 alsnog de ontbrekende informatie heeft aangeleverd.
2.5.
Het betoog van [appellant] dat bovengenoemde tekortkoming niet aan haar is toe te rekenen, faalt. [appellant] is door de bewindvoerder herhaaldelijk en op correcte wijze, zowel bij tussentijdse verslagen als per e-mail, gewezen op de afdrachtverplichting en het belang van een correcte nakoming daarvan. Allereerst heeft de bewindvoerder bij aanvang van de schuldsaneringsregeling duidelijk uiteengezet welke verplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling van toepassing zijn en wat er van [appellant] in dat kader werd verwacht. Dit is geschied door middel van de informatiebrief die bij e-mail van 23 augustus 2022 aan [appellant] is verstuurd. [appellant] heeft de ontvangst hiervan bevestigd en daarbij aangegeven dat een familielid de Nederlandse taal machtig is en de brief voor haar zou vertalen. Ook bij gelegenheid van het eerste gesprek met [appellant] op 1 september 2022 is stilgestaan bij de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling, zoals daarvan blijkt uit de schriftelijke bevestiging van dit gesprek van 20 september 2022. Daaruit volgt onmiskenbaar dat [appellant] en haar partner erop zijn gewezen dat het berekende vtlb kan worden aangewend om de vaste lasten en andere kosten te betalen, en dat het bedrag van het inkomen dat het vtlb te boven gaat aan de boedel toekomt. Ook nadat [appellant] had aangegeven dat het vtlb te laag was berekend en de bewindvoerder had geconstateerd dat [appellant] uitgaven deed die niet binnen het vtlb passen, heeft [appellant] zich bij brief van 5 december 2022 gewend tot de rechter-commissaris waarin zij onder meer heeft verzocht het vtlb ten gunste van haar aan te passen zodat zij maandelijks meer zou overhouden. Voornoemde brief heeft ertoe geleid dat op 24 januari 2023 een verhoor heeft plaatsgevonden van [appellant] en haar partner ten overstaan van de rechter-commissaris. Ook bij die gelegenheid is aan [appellant] en haar partner uitgelegd wat de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling inhouden en in het bijzonder waartoe zij en haar partner in het kader van de afdrachtverplichting gehouden waren. Na het verhoor is [appellant] (met haar partner) bij de bewindvoerder op kantoor geweest alwaar een gesprek heeft plaatsvonden waarbij de bewindvoerder heeft gewezen op de mogelijkheid van budgetbeheer en beschermingsbewind en daarover nog informatie heeft toegezonden aan [appellant] . Voor zover [appellant] stelt dat aan haar niet duidelijk is gecommuniceerd wat de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling voor haar meebrachten, wordt die stelling tegen de achtergrond van voornoemde feiten en omstandigheden verworpen. Uit de stukken is gebleken dat de bewindvoerder zelfs in het Engels schriftelijk heeft gecommuniceerd met [appellant] en haar partner omdat zij deze taal, anders dan het Nederlands, in voldoende mate beheersen.
2.6.
In weerwil van hetgeen de bewindvoerder en de rechter-commissaris [appellant] en haar partner hebben voorgehouden over de afdrachtverplichting, is [appellant] nadat zij over 2023 en 2024 de afdrachten waartoe zij gehouden was, had verricht, vanaf januari 2025 wederom tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting met als gevolg dat een boedelachterstand is ontstaan. Anders dan [appellant] stelt is niet eerst tegen het einde van de (reguliere) termijn duidelijk geworden dat er een boedelachterstand is. [appellant] is blijkens de stukken herhaaldelijk erop gewezen dat de afdrachten aan de boedel niet goed verliepen en blijkens haar reactie was zij zich hiervan bewust en zegde zij de bewindvoerder toe dat betalingen zouden worden verricht om weer op schema te geraken, zoals van een en ander onder meer blijkt uit een mede namens haar geschreven e-mail van haar partner van 10 september 2024 aan de bewindvoerder en de e-mail van de bewindvoerder van 19 mei 2025 dat [appellant] na 27 januari 2025 geen enkele afdracht meer had verricht. Aldus moet worden geoordeeld dat [appellant] van het niet nakomen van de afdrachtverplichting een verwijt kan worden gemaakt zodat deze tekortkoming aan haar kan worden toegerekend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden. De tekortkoming is ook niet van geringe betekenis of bijzondere aard dat zij op de voet van artikel 354 lid 2 Fw buiten beschouwing moet blijven.
2.7.
De tekortkoming in de nakoming van de afdrachtverplichting leidt in beginsel ertoe dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd zonder verlening van de schone lei, zoals de rechtbank heeft beslist. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de in artikel 349a lid 2 en 3 Fw opgenomen mogelijkheid tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na afloop van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat dit na een (korte) verlenging wel mogelijk zal zijn. In die gevallen kan verlenging ertoe dienen de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen. Hoewel in de gegeven omstandigheden een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling een mogelijkheid biedt voor [appellant] om de boedelachterstand in te lopen, heeft [appellant] desgevraagd verklaard daarmee alleen in te stemmen indien die verlenging niet ertoe leidt dat de gehele boedelachterstand van € 13.000,- wordt ingelopen omdat die situatie in combinatie met het huidige boedelsaldo zou betekenen dat [appellant] de totale schuldenlast van € 60.704,89 zou overtreffen en daarmee het risico loopt dat de schuldsaneringsregeling te zijner tijd zal worden beëindigd op de voet van artikel 350 lid 3, aanhef en onder b, Fw (hervatten van betalingen), in welk geval geen schone lei wordt verleend.
2.8.
Van een schuldenaar die is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling mag worden verlangd dat hij zich maximaal inspant om af te dragen aan de boedel, zodat zijn schuldeisers zoveel mogelijk kunnen worden voldaan. Naar hiervoor is overwogen, heeft een verlenging van de looptijd als doel de schuldenaar de gelegenheid te bieden om de eerder gemaakte tekortkomingen volledig te herstellen. Dat betekent in geval van een boedelachterstand dat de schuldenaar in beginsel de volledige boedelachterstand dient in te lopen. Het gaat er immers om dat de schuldenaar alsnog aan de boedel afdraagt wat hij gedurende de reguliere termijn zou hebben afgedragen als hij de afdrachtverplichting correct was nagekomen. Dit is slechts anders indien sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat de boedelachterstand niet of niet geheel kan worden toegerekend aan de schuldenaar. Naar hetgeen onder 2.5 is overwogen, is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Dat betekent dat in geval van een verlenging [appellant] de gehele boedelachterstand dient in te lopen. Dat dit voor haar mogelijk betekent dat het gespaarde saldo de totale schuldenlast zal overtreffen, leidt niet tot een ander oordeel. Indien gedurende de verlenging die situatie zich voordoet, gaat het hof ervan uit dat de bewindvoerder in samenspraak met de rechter-commissaris zal bezien of de schuldsaneringsregeling eerder kan worden beëindigd. Op welke grond dat zal geschieden, hervatten van de betalingen of met toekenning van de schone lei, is een beslissing waarop het hof thans niet kan vooruitlopen. Die beslissing is voorbehouden aan de rechtbank die zich te zijner tijd zal buigen over een verzoek van de bewindvoerder of voordracht van de rechter-commissaris. De omstandigheid dat [appellant] een brief van 18 juli 2025 heeft ontvangen op naam van de griffier van de rechtbank waarin staat dat geadviseerd wordt om aan haar de schone lei te verlenen, kan [appellant] niet baten omdat die brief berust op een misverstand en - gegeven de hiervoor besproken feitelijke situatie op dat moment - [appellant] in redelijkheid geacht wordt dat ook zo te hebben begrepen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank op dit punt.
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat aan de voorwaarde waaronder [appellant] wenst in te stemmen met een verlenging niet kan worden tegemoetgekomen. Nu [appellant] uitsluitend met inachtneming van die voorwaarde heeft verzocht de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen en anders voor de schulden voor zover deze onbetaald zijn gebleven, zelf afspraken en regelingen zal maken met de schuldeisers zoals zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, zal het hof een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling achterwege laten.
2.10.
De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, L.Th.L.G. Pellis en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.