In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van de kantonrechter waarin een huurverhoging per 1 januari 2023 werd afgewezen omdat niet was bewezen dat de aanzegging de huurder had bereikt. De huurovereenkomst betreft een tijdelijke bedrijfswoning met een huurprijs die jaarlijks automatisch zou worden verhoogd volgens een beding in de overeenkomst.
De kantonrechter wees de ontbindingsvordering af vanwege een te geringe huurachterstand en ging uit van een lagere huurprijs dan door [appellante] primair was gesteld. In hoger beroep betoogt [appellante] dat de huurverhoging contractueel is overeengekomen en niet jaarlijks hoeft te worden aangezegd.
Het hof oordeelt dat het huurverhogingsbeding automatisch een jaarlijkse verhoging regelt en dat de huurverhoging niet afhankelijk is van een aanzegging. Omdat het een consument betreft, moet het hof ambtshalve toetsen of het beding een kernbeding is en of het duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, en bij twijfel of het beding oneerlijk is volgens Richtlijn 93/13 EG.
Het hof constateert dat de algemene bepalingen waarnaar wordt verwezen niet zijn overgelegd en mogelijk niet zijn aangehecht, en dat er onduidelijkheid bestaat over de toepasselijkheid van de algemene bepalingen voor woonruimte. Daarom wordt de zaak aangehouden en krijgen partijen de gelegenheid zich uit te laten over deze vragen. Een verdere beslissing wordt aangehouden.