Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1073

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
200.335.312/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring vernietigingsrecht effectenleaseovereenkomst

In deze zaak is Dexia Nederland B.V. in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en de echtgenote van de afnemer is vernietigd. De echtgenote had de overeenkomst vernietigd wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.

De kern van het geschil betreft de vraag of de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is verjaard. Dexia stelt dat de vordering verjaard is, terwijl de echtgenote dit betwist. Het hof overweegt dat de effectenleaseovereenkomst kwalificeert als een koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 BW Pro en dat de echtgenote op grond van artikel 1:89 BW Pro het recht heeft tot vernietiging.

De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Het hof neemt een bewijsvermoeden aan dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomst, omdat betalingen vanaf een en/of-rekening zijn gedaan. De echtgenote krijgt de gelegenheid tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en geeft de echtgenote gelegenheid tegenbewijs te leveren over haar bekendheid met de effectenleaseovereenkomst vóór 13 maart 2000.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.335.312/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10072875 EL 22-94
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 31 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 augustus 2023, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 24 augustus 2023 onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
31-07-1997
WinstVerdubbelaar
60 mnd
31-07-2002
-/- € 3.078,45
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Bij brief van 22 december 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op de door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de betalingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst zijn gedaan vanaf de en/of-rekening van de afnemer en de echtgenote. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.10.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomst (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden. Het is vervolgens aan de echtgenote om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.11.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als de echtgenote dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 7 mei 2026 om 9.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.