Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1217

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
25/1659 tot en met 25/1661
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AwrArt. 11 AwrArt. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019-2021 ondanks betwisting hypotheekrente

Belanghebbende is geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over de jaren 2019, 2020 en 2021. Deze aanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van verschillen tussen de door belanghebbende opgegeven hypotheekrente en de door de hypotheekverstrekker Florius gerenseigneerde bedragen.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en stelde dat de inspecteur ambtelijk verzuim heeft gepleegd en dat er geen nieuw feit was voor navordering. Ook voerde hij aan dat de navorderingsaanslagen buiten de termijn waren opgelegd en dat de belastingrente onterecht was berekend.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat belanghebbende de hogere hypotheekrente niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de inspecteur terecht is uitgegaan van de renseignementen van Florius. Het hof oordeelt dat er wel degelijk een nieuw feit was, ontleend aan mededelingen van belanghebbende in een eerdere procedure, en dat de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd. Ambtelijk verzuim is niet vastgesteld omdat de inspecteur geen aanleiding had om aan de juistheid van de aangiften te twijfelen.

De belastingrente is eveneens terecht in rekening gebracht. Het hof wijst de beroepen af en bevestigt de navorderingsaanslagen en de daarbij behorende belastingrente.

Uitkomst: Het hof bevestigt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2019-2021 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/1659 tot en met 25/1661
14 april 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 27 mei 2025 in de zaken met kenmerken HAA 24/5664, HAA 24/5665 en HAA 24/4797 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.
Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over het jaar 2019 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.785. Daarbij is een bedrag van € 568 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.1.2.
Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag ib/pvv over het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 33.736, bestaande uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2. Daarbij is een bedrag van € 442 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.1.3.
Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag ib/pvv over het jaar 2021 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.215. Daarbij is een bedrag van € 724 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen in haar uitspraak ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk met bijlage ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiser is eigenaar van de woning op het adres [adres] in [woonplaats] . Op de eigen woning rust een hypothecaire geldlening afgesloten bij Florius. Florius heeft navolgende gegevens gerenseigneerd aan de Belastingdienst.
2019
Lening nummer
Schuld 1/1/2019
Schuld 31/12/2019
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
€ 52.500
€ 1.103
1.174.739.142
€ 214.500
€ 214.500
€ 4.506
Totaal
€ 267.000
€ 5.608
2020
Lening nummer
Schuld [1/1/2020]
Schuld [31/12/2020]
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
€ 52.500
€ 1.103
1.174.739.142
€ 214.500
€ 214.500
€ 4.506
Totaal
€ 267.000
€ 5.608
2021
Lening nummer
Schuld [1/1/2021]
Schuld [31/12/2021]
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
-
€ 276
1.174.739.142
€ 214.500
-
€ 1.127
1.174.739.143
€ 52.500
€ 607
1.174.739.144
€ 214.500
€ 2.639
Totaal
€ 267.000
€ 4.649
2. Het UWV heeft met betrekking tot eiser navolgende inkomensgegevens
uit vroegere dienstbetrekking aan de Belastingdienst gerenseigneerd:
2019: € 36.528 WGA/WIA uitkering (€ 11.961 ingehouden loonheffing)
2020: € 37.452 WGA/WIA uitkering (€ 12.214 ingehouden loonheffing)
2021: € 38.060 WGA/WIA uitkering (€ 12.287 ingehouden loonheffing).
3. In de aangiften ib/pvv (voor het jaar 2020 nadat deze door eiser is herzien) heeft eiser bedragen aan rente en kosten ter zake van de eigen woning aangegeven van € 14.256 (2019), € 14.208 (2020) en € 26.556 (2021). Aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft eiser in de aangifte inkomsten van het UWV aangegeven ten bedrage van € 36.528 (2019), € 37.452 (2020) en € 38.060 (2021).
4. De aanslagen ib/pvv 2019, 2020 en 2021 zijn door verweerder zonder inhoudelijke beoordeling overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd.
5. Met dagtekening 18 juli 2023 heeft verweerder aan eiser een verzoek om informatie gestuurd. Verweerder verwijst in zijn verzoek naar een zitting bij het Gerechtshof Amsterdam op 12 juli 2023 (BK-AMS 22/02424) ten aanzien van de ib/pvv 2018 van eiser. Naar aanleiding van mededeling(en) van eiser op deze zitting heeft verweerder de aangifte ib/pvv 2019, 2020 en 2021 gecontroleerd. Verweerder heeft eiser verzocht jaaroverzichten en specificaties toe te sturen van de in de aangiften ib/pvv 2019, 2020 en 2021 afgetrokken bedragen aan (hypotheek)rente en kosten. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
6. Met dagtekening 11 januari 2024 heeft verweerder eiser een kennisgeving navordering gestuurd. Verweerder heeft daarbij opgemerkt geen oorzaak te hebben kunnen vaststellen voor het verschil in de door eiser geclaimde renteaftrek en de door de bank doorgegeven bedragen aan betaalde rente. Verweerder becijfert de door de bank doorgegeven bedragen aan rente (€ 5.608 voor 2019, € 5.608 voor 2020 en € 4.649 voor 2021) en de bij de navorderingsaanslagen nieuw vast te stellen verzamelinkomens 2019, 2020 en 2021. De navorderingsaanslagen worden vervolgens op 27 januari 2024 overeenkomstig de kennisgeving opgelegd.
7. Nadat eiser op 6 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen, stuurt hij op 22 mei 2024 zijn jaaropgaven 2019, 2020 en 2021 van zijn inkomsten van het UWV en van zijn hypotheken bij Florius mee.
8. Met dagtekening 31 mei 2024 heeft verweerder (in één geschrift vermelde) uitspraken op bezwaar gedaan. Verweerder schrijft geen stukken (jaaropgaven) van eiser te hebben ontvangen en wijst de bezwaren af.”
2.2.
Het Hof zal ook uitgaan van de hiervoor vermelde feiten, en heeft hierop de volgende aanvulling.
2.3.
Belanghebbende heeft 6 maart 2024 digitaal een drietal bezwaarschriften ingediend tegen de navorderingaanslagen. Deze bezwaarschriften zijn als volgt gemotiveerd:
“Komt totaal niet overeen met de vorige aanslagen en/of verkregen
vergoedingen in betreffende jaar.”

3.Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist:

Rente eigenwoningschuld
10. Eiser heeft in zijn ingediende aangiften bedragen aan hypotheekrente opgegeven die niet overeenkomen met de (aan verweerder gerenseigneerde en door eiser op 22 mei 2024 aan verweerder toegezonden) stukken van de hypotheekverstrekker Florius. Eiser, die stelt recht te hebben op aftrek van meer (hypotheek)rente, dient het bedrag van die rente aannemelijk te maken. Hierin is hij niet geslaagd. De stukken die eiser heeft overgelegd komen overeen met de door de bank aan verweerder verstrekte stukken en met de in de navorderingsaanslagen opgenomen bedragen. Er bestaat daarom geen grond om rekening te houden met hogere bedragen aan aftrek. Dat verweerder de toegezonden stukken van eiser niet heeft gezien voordat hij uitspraak op bezwaar deed, doet hier niet aan af, aangezien eiser daardoor niet is benadeeld. De bedragen in de stukken die eiser heeft toegezonden komen immers overeen met de bedragen waar verweerder al over beschikte ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar.
Inkomsten uit vroegere arbeid (UWV)
11. Voor zover eiser heeft geklaagd over de bij de navorderingsaanslag in aanmerking genomen inkomsten van het UWV (WIA-uitkering), overweegt de rechtbank dat deze inkomsten overeenkomen met de jaaropgaven die zijn verstrekt door het UWV en ook met de door eiser zelf ingediende aangiften. De navorderingsaanslagen zijn op dit punt niet gewijzigd ten aanzien van de definitieve aanslagen. Dat het op de navorderingsaanslag vermelde verzamelinkomen niet overeenkomt met bedrag van de WIA-uitkering op de jaaropgaaf, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, klopt. Dat komt omdat bij het verzamelinkomen bijvoorbeeld ook rekening wordt gehouden met de aftrek van de hypotheekrente en de inkomsten uit box 3. Deze onderdelen van het inkomen voor de inkomstenbelasting worden door het UWV niet vermeld op de jaaropgaaf en spelen geen rol voor de vaststelling van de loonbelasting. Eiser heeft zijn stelling dat het in aanmerking genomen WIA inkomen niet zou kloppen verder op geen enkele wijze onderbouwd. In zoverre faalt het beroep dan ook.
Belastingrente
12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet gelet op de uitkomst van de procedure geen aanleiding om van de beschikking belastingrente af te wijken.
13. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond verklaard te worden.”

5.Beoordeling van het geschil

Standpunten belanghebbende
5.1.1. Er is volgens belanghebbende voor geen van de navorderingsaanslagen voldaan aan het vereiste van een nieuw feit: hij wijst er daarbij op dat alle relevante gegevens expliciet waren vermeld in de aangiften. Belanghebbende meent dat de inspecteur onderzoek had moeten doen naar de aangiften alvorens de definitieve aanslagen op te leggen. Omdat dat onderzoek niet is gedaan ondanks dat relevante informatie aanwezig was in het dossier, heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan en is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Dit moet voor rekening en risico blijven van de inspecteur. Ook is volgens belanghebbende geen sprake van kwade trouw, alle informatie was immers in de aangiften opgenomen.
5.1.2. Door eerst definitieve aanslagen vast te stellen en daarna zonder nieuw feit na te vorderen, is volgens belanghebbende het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
5.1.3. De navorderingsaanslagen voor de jaren 2019 en 2020 zijn volgens belanghebbende buiten de aanslagtermijn en daardoor niet tijdig opgelegd.
5.1.4. Bij het doen van uitspraken op bezwaar is het motiveringsbeginsel geschonden aangezien daarin geen concrete aanduiding van het nieuwe feit is vermeld. Hierdoor is er ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ex artikel 3:2 Awb Pro aangezien de inspecteur heeft nagelaten de feiten zorgvuldig vast te stellen door geen adequaat onderzoek te verrichten, noch gemotiveerd te reageren op de bezwaren. Belanghebbende wijst erop dat de door hem aan de inspecteur gezonden stukken bij brief van 18 mei 2024, die zijn ontvangen door de Belastingdienst op 22 mei 2024, niet zijn meegenomen in de uitspraak op het bezwaarschrift.
Standpunten inspecteur
5.2.1. De inspecteur stelt het nieuwe feit voor de navorderingsaanslagen te hebben ontleend aan mededelingen van belanghebbende gedaan ter zitting van dit Hof van 12 juli 2023 waar het belastingjaar 2018 aan de orde was. Op grond van die mededelingen is de inspecteur gaan twijfelen aan de juistheid van de door belanghebbende gedane aangiften voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Daarop heeft de inspecteur onderzocht wat de oorzaak was van de afwijking tussen de door belanghebbende opgegeven bedragen aan hypotheekrente en de door Florius, de hypotheeknemer, gerenseigneerde bedragen. Toen belanghebbende op de verzoeken om informatie van 18 juli en 8 november 2023 niet reageerde, is aangekondigd te gaan navorderen.
5.2.2. Onder verwijzing naar de dagtekening van de aanslagen 2019 en 2020 weerspreekt de inspecteur dat deze te laat zijn opgelegd. Ook betwist de inspecteur dat hij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden; de aangiften gaven geen aanleiding tot onderzoek. De inspecteur heeft in dat verband erop gewezen dat belanghebbende aandeelhouder is van verschillende vennootschappen en ook bestuurder, hetgeen de renteaftrek zou kunnen verklaren. Voorts is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd, gegeven ook de zeer summiere gronden van het bezwaar.
5.2.3. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur subsidiair het standpunt ingenomen dat sprake is van kwade trouw van belanghebbende. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gereageerd op vragen van de inspecteur over de hoge bedragen die belanghebbende als hypotheekrente in zijn aangiften had opgenomen. Belanghebbende moet zich ervan bewust zijn geweest dat hij te hoge bedragen aangaf.
Oordeel Hof
Tijdigheid navorderingsaanslagen
5.3.1. Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat de navorderingsaanslagen voor de jaren 2019 en 2020 buiten de navorderingstermijn zijn opgelegd. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (artikel 16, derde lid, Awr). Voor deze aanslagbelastingen geldt dat op grond van artikel 11, vierde lid, Awr de belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak eindigt. De dagtekening van de navorderingsaanslagen is 27 januari 2024. Voor 2019 eindigde de navorderingstermijn op 31 december 2024 en voor 2020 op 31 december 2025. De navorderingsaanslagen zijn dus steeds binnen vijf jaar na het einde van het belastingjaar waarop de navordering betrekking heeft opgelegd, dit nog afgezien van verleend uitstel voor het doen van de aangifte 2020.
Nieuw feit
5.3.2. Het Hof volgt belanghebbende niet waar hij stelt dat de inspecteur niet bevoegd was de navorderingsaanslagen op te leggen omdat geen sprake is van het daartoe vereiste nieuwe feit. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur naar hij ook heeft gesteld, het nieuwe feit voor de navorderingsaanslagen heeft kunnen ontlenen aan mededelingen van belanghebbende ter zitting van dit Hof, zoals deze zijn opgenomen in het proces-verbaal bij de uitspraak van 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1940, onder 5.2.2. Dat de inspecteur dit nieuwe feit niet heeft omschreven in de uitspraak op bezwaar, valt te verklaren uit de omstandigheid dat belanghebbende in zijn – summier gestelde – bezwaarschriften hierover geen grief heeft aangevoerd (zie onder 2.3). De inspecteur kan daarom geen onzorgvuldigheid worden verweten. Ook overigens acht het Hof de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd.
Ambtelijk verzuim
5.3.3. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379, BNB 2022/73). Anders dan belanghebbende lijkt te stellen, bevatten de aangiften zelf geen informatie waaruit kan worden opgemaakt dat de daarin aangegeven bedragen onjuist zouden kunnen zijn. Het Hof overweegt voorts dat ook indien de inspecteur kennis had genomen van de inhoud van de aangiften, er voor hem in redelijkheid geen reden was te twijfelen aan de juistheid van de in die aangifte opgenomen hypotheekrente, omdat die rentebedragen niet zodanig hoog zijn dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften op dat punt juist waren. Weliswaar beschikte de inspecteur over renseignementen maar die behoefden niet perse de volledige bedragen aan renteaftrek te vertegenwoordigen; de inspecteur heeft in dat kader nog gewezen op aandeelhouderschappen van belanghebbende. Daarom heeft de inspecteur geen ambtshalve verzuim begaan en kan hem niet verweten worden onzorgvuldig te hebben gehandeld door voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen geen onderzoek in te stellen. Gelet hierop komt het Hof niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire standpunt van de inspecteur.
Brief belanghebbende d.d. 18 mei 2024
5.3.4. Ten behoeve van de uitspraak op bezwaar is de inspecteur uitgegaan van de inkomsten die belanghebbende zelf heeft aangegeven in zijn aangiften en zoals die volgen uit renseignementen van het UWV, en is de inspecteur voor de bedragen aan hypotheekrente uitgegaan van de gegevens die Florius had gerenseigneerd aan de Belastingdienst. Dit zijn dezelfde bedragen die belanghebbende met zijn brief van 18 mei 2024 aan de inspecteur heeft gezonden in de vorm van jaaropgaven van het UWV en van Florius. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat hoewel de inspecteur de brief van belanghebbende niet heeft gezien alvorens op 31 mei 2024 uitspraak op het bezwaar te doen, belanghebbende daardoor niet is benadeeld aangezien de inspecteur is uitgegaan van dezelfde bedragen als de bedragen die belanghebbende met de informatie in zijn brief had toegezonden.
Hoogte navorderingsaanslagen
5.3.5. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende de hoogte van de door hem gestelde hypotheekrente aannemelijk dient te maken. Belanghebbende heeft bij het invullen van zijn aangiften IB/PVV 2019, 2020 en 2021 de volgende bedragen vermeld voor aftrekbare rente: in 2019 € 14.256, in 2020 € 14.208 en in 2021 € 26.556. In bezwaar, beroep noch in hoger beroep heeft belanghebbende deze aftrekposten onderbouwd althans voor zover deze meer bedragen dan volgt uit de renseignementen van Florius. Uit de stukken die belanghebbende zelf in de bezwaarfase heeft toegezonden volgen geen hogere bedragen aan verschuldigde rente dan de door de inspecteur in aanmerking genomen rentebedragen. Evenzeer geldt ten aanzien van de WGA/WIA-uitkeringen die belanghebbende heeft genoten, dat de inspecteur geen hogere bedragen in aanmerking heeft genomen dan vermeld in de stukken die belanghebbende zelf had meegezonden in de bezwaarfase. Het daarover gegeven oordeel van de rechtbank in onderdeel 11 van haar uitspraak acht het Hof dan ook juist. Hieruit volgt dat niet aannemelijk is geworden dat de navorderingsaanslagen onjuist zouden zijn.
5.3.6. Voor zover belanghebbende ook overigens nog heeft gesteld dat de inspecteur een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur of algemene rechtsbeginselen heeft geschonden, acht het Hof die stelling niet aannemelijk gemaakt.
Belastingrente
5.3.7. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in de navorderingsaanslagen begrepen belastingrente. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente niet juist zou zijn vastgesteld.

6.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.