2.1.De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiser is eigenaar van de woning op het adres [adres] in [woonplaats] . Op de eigen woning rust een hypothecaire geldlening afgesloten bij Florius. Florius heeft navolgende gegevens gerenseigneerd aan de Belastingdienst.
2019
Lening nummer
Schuld 1/1/2019
Schuld 31/12/2019
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
€ 52.500
€ 1.103
1.174.739.142
€ 214.500
€ 214.500
€ 4.506
Totaal
€ 267.000
€ 5.608
2020
Lening nummer
Schuld [1/1/2020]
Schuld [31/12/2020]
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
€ 52.500
€ 1.103
1.174.739.142
€ 214.500
€ 214.500
€ 4.506
Totaal
€ 267.000
€ 5.608
2021
Lening nummer
Schuld [1/1/2021]
Schuld [31/12/2021]
Verschuldigde rente
1.174.739.134
€ 52.500
-
€ 276
1.174.739.142
€ 214.500
-
€ 1.127
1.174.739.143
€ 52.500
€ 607
1.174.739.144
€ 214.500
€ 2.639
Totaal
€ 267.000
€ 4.649
2. Het UWV heeft met betrekking tot eiser navolgende inkomensgegevens
uit vroegere dienstbetrekking aan de Belastingdienst gerenseigneerd:
2019: € 36.528 WGA/WIA uitkering (€ 11.961 ingehouden loonheffing)
2020: € 37.452 WGA/WIA uitkering (€ 12.214 ingehouden loonheffing)
2021: € 38.060 WGA/WIA uitkering (€ 12.287 ingehouden loonheffing).
3. In de aangiften ib/pvv (voor het jaar 2020 nadat deze door eiser is herzien) heeft eiser bedragen aan rente en kosten ter zake van de eigen woning aangegeven van € 14.256 (2019), € 14.208 (2020) en € 26.556 (2021). Aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft eiser in de aangifte inkomsten van het UWV aangegeven ten bedrage van € 36.528 (2019), € 37.452 (2020) en € 38.060 (2021).
4. De aanslagen ib/pvv 2019, 2020 en 2021 zijn door verweerder zonder inhoudelijke beoordeling overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd.
5. Met dagtekening 18 juli 2023 heeft verweerder aan eiser een verzoek om informatie gestuurd. Verweerder verwijst in zijn verzoek naar een zitting bij het Gerechtshof Amsterdam op 12 juli 2023 (BK-AMS 22/02424) ten aanzien van de ib/pvv 2018 van eiser. Naar aanleiding van mededeling(en) van eiser op deze zitting heeft verweerder de aangifte ib/pvv 2019, 2020 en 2021 gecontroleerd. Verweerder heeft eiser verzocht jaaroverzichten en specificaties toe te sturen van de in de aangiften ib/pvv 2019, 2020 en 2021 afgetrokken bedragen aan (hypotheek)rente en kosten. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
6. Met dagtekening 11 januari 2024 heeft verweerder eiser een kennisgeving navordering gestuurd. Verweerder heeft daarbij opgemerkt geen oorzaak te hebben kunnen vaststellen voor het verschil in de door eiser geclaimde renteaftrek en de door de bank doorgegeven bedragen aan betaalde rente. Verweerder becijfert de door de bank doorgegeven bedragen aan rente (€ 5.608 voor 2019, € 5.608 voor 2020 en € 4.649 voor 2021) en de bij de navorderingsaanslagen nieuw vast te stellen verzamelinkomens 2019, 2020 en 2021. De navorderingsaanslagen worden vervolgens op 27 januari 2024 overeenkomstig de kennisgeving opgelegd.
7. Nadat eiser op 6 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen, stuurt hij op 22 mei 2024 zijn jaaropgaven 2019, 2020 en 2021 van zijn inkomsten van het UWV en van zijn hypotheken bij Florius mee.
8. Met dagtekening 31 mei 2024 heeft verweerder (in één geschrift vermelde) uitspraken op bezwaar gedaan. Verweerder schrijft geen stukken (jaaropgaven) van eiser te hebben ontvangen en wijst de bezwaren af.”