Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1230

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
200.360.997/01Ok
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:336a BWArt. 2:343 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitstoting en uittreding aandeelhouders wegens wanbeleid en verstoorde verhoudingen

De Ondernemingskamer behandelt een geschil tussen de aandeelhouders SP, JWTM en BBB van de vastgoedbeheermaatschappij DIG. SP en JWTM verzochten primair de uitstoting van BBB als aandeelhouder wegens wanbeleid en subsidiair hun eigen uittreding vanwege duurzaam verstoorde verhoudingen. In een eerdere enquêteprocedure was vastgesteld dat er wanbeleid was bij DIG, waarvoor alle bestuurders en aandeelhouders verantwoordelijk waren, met een groter aandeel voor SP en JWTM.

SP en JWTM stelden dat BBB door haar gedragingen het belang van DIG schaadt en dat voortzetting van haar aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld. BBB voerde verweer dat haar aandeel in het wanbeleid gering is en dat de voorzieningen van de Ondernemingskamer de onwerkbare situatie hebben opgelost. De Ondernemingskamer overwoog dat het wanbeleid vooral door SP en JWTM is veroorzaakt en dat de getroffen maatregelen, zoals het ontslag van SP en JWTM als bestuurders en de benoeming van een onafhankelijke bestuurder en beheerder, de situatie beheersen.

De belangenafweging leidde tot de conclusie dat BBB het belang van DIG niet zodanig schaadt dat haar aandeelhouderschap niet kan worden voortgezet. Ook het subsidiaire verzoek tot uittreding van SP en JWTM werd afgewezen omdat zij niet voldoende konden aantonen dat zij door BBB in hun rechten of belangen worden geschaad. De Ondernemingskamer veroordeelde SP en JWTM in de kosten van de procedure.

Uitkomst: Het verzoek tot uitstoting van BBB en uittreding van SP en JWTM wordt afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van onredelijkheid en schadelijkheid.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.360.997/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 30 april 2026
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[SP],
gevestigd te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[JWTM],
gevestigd te [plaats] ,
VERZOEKSTERS,
advocaten:
mr. R.Q. Potteren
mr. C.R.B. Jonker, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[BBB],
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTER,
advocaat:
mr. S.J.B. Drijber, kantoorhoudende te Velp,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[DIG],
gevestigd te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat:
mr. S.S.J.P. Roestenberg,kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
[BBB] als:
BBB
[DIG] als:
DIG
[SP] als:
SP
[JWTM] als:
JWTM
[DGA BBB] als:
[DGA BBB]
[DGA SP] als:
[DGA SP]
[DGA JWTM] als:
[DGA JWTM]

1.Inleiding

DIG houdt zich bezig met het beheer en de exploitatie van een onroerendgoedportefeuille. De verhoudingen tussen de aandeelhouders tevens (oud)bestuurders van DIG, BBB enerzijds en SP en JWTM anderzijds, zijn duurzaam verstoord.
Naast de onderhavige geschillenregelingsprocedure loopt er tussen dezelfde betrokkenen ook een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. In die procedure heeft de Ondernemingskamer in de eerste fase tijdelijke een onafhankelijke bestuurder benoemd (de OK bestuurder) en bij tweedefasebeschikking van 9 oktober 2025 – kort gezegd – geoordeeld dat sprake is van wanbeleid bij DIG waarvoor alle bestuurders – BBB, SP en JWTM – verantwoordelijk zijn. Daarbij heeft de Ondernemingskamer wel in aanmerking genomen dat de verantwoordelijkheid van BBB als bestuurder (al) is geëindigd met haar ontslag in 2019 en dat sommige aspecten van het wanbeleid vooral na haar ontslag plaatsvonden, waardoor haar aandeel in het wanbeleid aanzienlijk minder is dan dat van SP en JWTM. SP en JWTM zijn bij definitieve voorziening door de Ondernemingskamer ontslagen en de benoeming van de OK bestuurder is met twee jaar verlengd. Daarbij zijn de aandelen van alle aandeelhouders ten titel van beheer overgedragen aan een door de Ondernemingskamer benoemde beheerder (de OK beheerder). In onderhavige geschillenregelingsprocedure hebben SP en JWTM primair de uitstoting van BBB als aandeelhouder van DIG verzocht en subsidiair hun eigen uittreding als aandeelhouders van DIG, nu een vruchtbare toekomstige samenwerking tussen deze partijen is uitgesloten en het gezamenlijk aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan voortduren.

2.Het verloop van het geding

2.1
SP en JWTM hebben bij verzoekschrift van 31 oktober 2025 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
primair BBB te bevelen om haar aandelen in DIG pro rata over te dragen aan SP en JWTM tegen een door de Ondernemingskamer te bepalen prijs en een deskundige te benoemen die over de waarde van de aandelen schriftelijk bericht dient uit te brengen aan de Ondernemingskamer;
subsidiair te bevelen dat alle door SP en JWTM gehouden aandelen in DIG worden overgedragen aan BBB tegen een door de Ondernemingskamer te bepalen prijs en een deskundige te benoemen die over de waarde van de aandelen schriftelijk bericht dient uit te brengen aan de Ondernemingskamer;
BBB te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
BBB heeft bij verweerschrift van 19 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van SP en JWTM af te wijzen en SP en JWTM te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.3
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 19 maart 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en wat mrs. Potter en Jonker betreft onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

3.Feiten

3.1
De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten genoemd in haar beschikkingen van 9 oktober 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2289) en 9 oktober 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2697) in de enquêteprocedure tussen dezelfde partijen. Die feiten zullen hierna deels worden herhaald en worden aangevuld met feiten die in de onderhavige procedure zijn gebleken.
3.2
DIG is in 1944 opgericht. Sinds 2007 zijn BBB, SP en JWTM aandeelhouders van DIG. Op dit moment houden zij elk (afgerond) een/derde van de aandelen in DIG. [DGA BBB] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van BBB. [DGA SP] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van SP. [DGA JWTM] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van JWTM.
3.3
DIG houdt zich bezig met het beheer en de exploitatie van een onroerendgoedportefeuille. Zij legt zich toe op het commercieel en technisch beheer van haar portefeuille; dat wil zeggen de aan- en verkoop van objecten, (her)ontwikkeling, vaststellen van huurprijzen en het vinden van nieuwe huurders, alsmede de uitvoering van incidenteel en planmatig onderhoud. Het financieel beheer van haar portefeuille wordt verricht door een externe partij. DIG heeft een aanzienlijke vastgoedportefeuille opgebouwd, onder meer bestaande uit woningen, horecagelegenheden, winkels, kantoorpanden en ontwikkellocaties. Sinds 2016 heeft zij geen nieuwe objecten meer aangekocht. DIG beheert niet alleen eigen vastgoed maar ook dat van derden.
3.4
Tussen de drie aandeelhouders van DIG is onenigheid ontstaan over de exploitatie van het onroerend goed, het financiële beleid en de gewenste ontvlechting van hun belangen in (en buiten) DIG.
3.5
[DGA SP] en [DGA BBB] hebben een achtergrond in de makelaardij. Sinds 2003 hebben zij onroerend goed aangekocht. Vanaf 2006 zijn [DGA SP] en [DGA BBB] ook gezamenlijk kantoor gaan houden. Aan hun samenwerking lag geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag. De panden die werden toegevoegd aan de portefeuille werden ofwel privé aangekocht, ofwel via de persoonlijke vennootschappen SP en BBB, ofwel via de (inmiddels ontbonden) vennootschap [DGA BBB] [DGA SP] Vastgoed B.V. De verhouding waarin zij (of aan hen gelieerde vennootschappen) participeerden in de verworven objecten varieerde; soms participeerden daarbij ook derden.
3.6
Sinds 2007 werken [DGA SP] en [DGA BBB] samen met [DGA JWTM] . In mei 2007 hebben zij gezamenlijk, via SP, BBB en JWTM, de aandelen verworven in DIG, die op dat moment een pand in eigendom had.
3.7
Vanaf 2007 vormden SP (althans tot 2012 een andere vennootschap van [DGA SP] , namelijk [DGA SP] Vastgoed B.V.) en BBB het bestuur van DIG. Sinds maart 2016 maakt ook JWTM deel uit van het bestuur van DIG. In de aandeelhoudersvergadering van 4 juli 2019 is BBB ontslagen als bestuurder van DIG.
3.8
Vanwege de tussen partijen ontstane onenigheid is door BBB in 2023 een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer ingediend strekkende tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DIG over de periode vanaf 2017. Dit heeft geleid tot de beschikking van de Ondernemingskamer van 9 oktober 2023 waarin zij een onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DIG over de periode vanaf 2017 en bij wijze van onmiddellijke voorziening mr. Endedijk heeft benoemd tot bestuurder (met beslissende stem) van DIG (ECLI:NL:GHAMS:2023:2291).
3.9
In december 2023 is drs. J. Hak door de Ondernemingskamer aangewezen als onderzoeker, als bedoeld in de beschikking van 9 oktober 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:3524), en in december 2024 (ECLI:NL:GHAMSL204:3357) is het onderzoeksverslag bij de Ondernemingskamer gedeponeerd. Vervolgens zijn begin 2025 zowel door BBB, DIG als SP en JWTM drie afzonderlijke verzoekschriften ingediend strekkende tot vaststelling van wanbeleid bij DIG.
3.1
In de tweedefasebeschikking van 9 oktober 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2697) heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat uit het onderzoeksverslag blijkt dat sprake is van wanbeleid bij DIG o.a. omdat:
- geen afspraken zijn gemaakt over vergoedingen voor beheerwerkzaamheden ten aanzien van objecten die niet (uitsluitend) aan DIG toebehoren en er – heel kort gezegd – ook geen administratie is ten aanzien van beheervergoedingen voor deze panden waarvan DIG geen of niet enig eigenaar is, terwijl de kernactiviteit van DIG is het commercieel en technisch beheer van vastgoed;
- SP en JWTM hun rol van bestuurder hebben vermengd met die van aandeelhouder, o.a. voor het verkrijgen van financiering tegen gunstige voorwaarden, zonder dat zij daarbij de vereiste verhoogde zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Dit geldt ook ten aanzien van het handelen van SP en JWTM met betrekking tot de verhuizing van DIG naar een pand aan de Nicolaas Witsenkade te Amsterdam;
- sprake is van onjuistheden in de administratie ten aanzien van de allocatie van kosten van de uitstotingsprocedure en het opnemen van een voorziening voor onderhoud.
3.11
De Ondernemingskamer acht alle bestuurders – BBB, SP en JWTM – verantwoordelijk voor dit wanbeleid. Wel neemt zij daarbij in aanmerking dat de verantwoordelijkheid van BBB als bestuurder eindigde met haar ontslag op 4 juli 2019 en dat sommige aspecten van het wanbeleid vooral na haar ontslag plaatsvonden. De Ondernemingskamer concludeert dat BBB, SP en JWTM gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor 20% van het wanbeleid, terwijl SP en JWTM voor de resterende 80% van het wanbeleid gezamenlijk verantwoordelijk zijn.
3.12
Bij wijze van definitieve voorziening heeft de Ondernemingskamer SP en JWTM ontslagen als bestuurders van DIG en de benoeming van de OK bestuurder verlengd voor een periode van twee jaar. Daarbij heeft de Ondernemingskamer de aandelen van iedere aandeelhouder, met uitzondering van één aandeel, ten titel van beheer overgedragen aan de OK beheerder.

4.De gronden van de beslissing

4.1
SP en JWTM hebben aan hun primaire verzoek ten grondslag gelegd dat BBB door haar gedragingen het belang van DIG zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Als toelichting hebben SP en JWTM – samengevat – het volgende naar voren gebracht:
a. uit de beschikking van de Ondernemingskamer van 9 oktober 2025 blijkt dat (i) BBB in strijd heeft gehandeld met haar zorgvuldigheidsplicht bij tegenstrijdig belang, (ii) sprake was van wanbeleid bij DIG, (iii) vaststaat dat BBB (mede) verantwoordelijk is voor dat wanbeleid en (vi) BBB persoonlijk een verwijt treft ter zake van dat wanbeleid. Daarmee is in beginsel al gegeven dat sprake is van gedragingen van BBB waarmee zij het belang van DIG schaadt en/of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld;
b. op aandeelhouders- en bestuursniveau is een onwerkbare situatie ontstaan;
c. BBB weigert bij herhaling een constructieve bijdrage te leveren aan enige oplossing van het geschil.
4.2
Subsidiair hebben SP en JWTM een verzoek tot uittreding gedaan, nu vanwege de duurzaam verstoorde verhoudingen zij zodanig in hun rechten of belangen worden geschaad dat van hen niet langer gevergd kan worden dat zij aandeelhouder van DIG blijven.
4.3
BBB voert verweer en stelt dat er geen sprake meer is van enig – laat staan structureel – nadeel dat DIG lijdt als gevolg van het voorduren van het aandeelhouderschap van BBB. Daartoe voert zij samengevat het volgende aan.
a. de mate waarin BBB verantwoordelijk is gehouden voor het wanbeleid van DIG valt in het niet bij de mate waarin SP en JWTM daarvoor verantwoordelijk zijn;
b. voor zover al sprake was van een onwerkbare situatie waardoor DIG werd gehinderd, is dit weggenomen door de voorzieningen van de Ondernemingskamer (ontslag van SP en JWTM en de benoeming van een OK bestuurder en OK beheerder);
c. van BBB kan niet worden verwacht dat zij zonder meer akkoord gaat met de, voor haar nadelige, voorstellen die vanuit SP en JWTM worden gedaan om tot een definitieve oplossing te komen.
Wat betreft het subsidiaire verzoek tot uittreding geldt dat evenmin sprake is van gedragingen in de zin van artikel 2:343 lid 1 BW Pro van BBB waardoor SP en JWTM zodanig in hun rechten of belangen zijn geschaad dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd.
4.4
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
Uitstoting
4.5
Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat BBB door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van DIG en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In de uitstotingsnorm liggen drie criteria besloten: i) gedragscriterium; ii) schadecriterium; en iii) redelijkheidscriterium.
4.6
Wat betreft de gedragingen van BBB, verwijzen SP en JWTM naar de tweedefasebeschikking van de Ondernemingskamer waaruit blijkt dat BBB medeverantwoordelijk is voor het wanbeleid bij DIG waarmee gegeven zou zijn dat sprake is van gedragingen van BBB waardoor het belang van DIG en haar onderneming wordt geschaad. Uit de tweedefasebeschikking van de Ondernemingskamer volgt echter dat niet alleen BBB, maar ook, en in overwegende mate, SP en JWTM verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid bij DIG. In de onderlinge verhoudingen tussen de aandeelhouders zullen de gedragingen die BBB ter zake van het wanbeleid kunnen worden verweten dan niet te zwaar wegen bij de belangenafweging in het kader van het hierna te bespreken redelijkheidscriterium.
Bij het schadecriterium gaat het om het belang van DIG en haar onderneming en de vraag in hoeverre dat belang door de aan BBB te verwijten gedragingen is of wordt geschaad. Daarbij weegt mee dat met de door de Ondernemingskamer in de tweedefasebeschikking getroffen voorzieningen – het ontslag van SP en JWTM als bestuurders van DIG, de (verlenging van) de benoeming van de OK bestuurder en het onder beheer plaatsen van de aandelen – er op dit moment geen sprake is van een onwerkbare situatie in het bestuur of de algemene vergadering, en dat aan de voorheen schadetoebrengende gedragingen van de bestuurders en aandeelhouders een einde is gemaakt. Sterker nog, de OK functionarissen zijn in het belang van de DIG en haar onderneming bezig met een zorgvuldige afwikkeling van de samenwerking van BBB, SP en JWTM binnen DIG, die uiteindelijk zal leiden tot een ontvlechting van hun wederzijdse belangen.
Tot slot het redelijkheidscriterium, waarbij het belang van de vennootschap en de overige aandeelhouders bij uitstoting wordt afgewogen tegen het belang van de uit te stoten aandeelhouder bij behoud van zijn aandelen. Bij die belangenafweging moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de relatieve ernst van de aan de uit te stoten aandeelhouder verweten gedragingen en de mate waarin de belangen van de vennootschap en haar onderneming daardoor zijn of worden geschaad. In dit geval geeft daarbij de doorslag dat uit de tweedefasebeschikking volgt dat het wanbeleid in overwegende mate is veroorzaakt door de medeaandeelhouders SP en JWTM en dat inmiddels onder leiding van de OK-functionarissen wordt gewerkt aan een zorgvuldige ontvlechting van de belangen van alle aandeelhouders. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat BBB het belang van DIG en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
Uittreding
4.7
Voor de toewijsbaarheid van het subsidiaire verzoek tot uittreding geldt dat SP en JWTM door gedragingen van BBB zodanig in hun rechten of belangen moeten zijn geschaad dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd (art. 2:343 BW Pro). In de uittredingsnorm liggen derhalve dezelfde drie criteria besloten als bij een uitstotingsverzoek: i) gedragscriterium; ii) schadecriterium; en iii) redelijkheidscriterium. Het belangrijkste verschil met het uitstotingsverzoek is dat uitstoting primair tot doel heeft de belangen van de vennootschap te waarborgen, terwijl het bij de uittreding eerder gaat om de schending van eigen rechten en belangen van de verzoekende aandeelhouder(s). SP en JWTM stellen dat dit laatste het geval is vanwege de duurzaam verstoorde verhoudingen met BBB.
4.8
Niet in geschil is dat de samenwerking tussen SP en JWTM enerzijds en BBB anderzijds duurzaam onmogelijk is en beëindiging van de samenwerking de beste en enige oplossing is. Het antwoord op de vraag of ernstig verstoorde verhoudingen tussen aandeelhouders tot het oordeel kunnen leiden dat van de aandeelhouder die wil uittreden het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kan worden gevergd, is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin het handelen of nalaten ieder van de aandeelhouders aan verstoorde verhoudingen heeft bijgedragen en de mate waarin de aandeelhouder die wil uittreden door de verstoorde verhoudingen in zijn rechten of belangen is geschaad. Daarbij kan ook een rol spelen in hoeverre de gerechtvaardigde belangen van de medeaandeelhouder(s) en de vennootschap door toewijzing van het verzoek om uittreding worden geschaad (vgl. OK 19 juni 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:1618, Beheersmaatschappij Johema B.V.).
4.9
Zoals hiervoor al overwogen, is in de tweedefasebeschikking in de enquêteprocedure wanbeleid vastgesteld bij DIG waarvoor SP en JWTM in overwegende mate verantwoordelijk zijn gehouden. Tegen deze achtergrond is het aandeel van BBB in het ontstaan van de duurzaam en ernstig verstoorde verhoudingen in verhouding tot het aandeel van SP en JWTM dermate gering dat die verstoorde verhoudingen niet zwaar kunnen wegen bij de belangenafweging die is vereist bij de toepassing van het in 4.8 vermelde criterium.
Daarnaast vormen, zolang de voorzieningen van kracht zijn die de Ondernemingskamer in de tweedefasebeschikking heeft getroffen, de bevoegdheden van de OK bestuurder en de OK beheerder een waarborg tegen de eventuele beknelling van SP en JWTM als aandeelhouders en bestaat er bovendien uitzicht op een redelijke oplossing, nu de OK bestuurder bezig is met de afwikkeling van de samenwerking van BBB, SP en JWTM binnen DIG. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat SP en JWTM door gedragingen van BBB zodanig in hun rechten of belangen zijn of worden geschaad dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd.
Conclusie
4.1
De slotsom is dat de door SP en JWTM aangevoerde gronden, ook in onderlinge samenhang bezien, niet tot toewijzing van het verzoek tot uitstoting althans uittreding kunnen leiden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
4.11
De Ondernemingskamer zal SP en JWTM als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordelen in de kosten van de procedure aan de zijde van BBB en DIG.

5.De beslissing

De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek van [SP] en [JWTM] af;
veroordeelt [SP] en [JWTM] hoofdelijk in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van [BBB] begroot op € € 4.679,- en aan de kant van DIG op € 4.679,-.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. A.J. Brouwer RA en drs. G.A.J. Dubbeld, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 30 april 2026.