ECLI:NL:GHAMS:2026:1276
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens verontschuldigbare termijnoverschrijding door taalbarrière
Het gerechtshof Amsterdam behandelde een tussenarrest in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter van 11 december 2024. De verdachte was bij verstek veroordeeld en stelde hoger beroep in na de wettelijke termijn van veertien dagen. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep. De mededeling van het verstekvonnis was weliswaar aan de verdachte uitgereikt, maar niet vertaald in een taal die de verdachte voldoende beheerst. Tijdens het politieverhoor was immers gebruik gemaakt van tolken Oekraïens en Russisch, terwijl de mededeling niet in deze talen of een andere begrijpelijke taal was verstrekt.
Het hof oordeelde dat deze tekortkoming in strijd was met artikel 366, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat daardoor sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom werd de verdachte ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het onderzoek werd heropend en geschorst, met een nieuwe zittingsdatum en de verplichting tot oproeping van een tolk Oekraïens.
Uitkomst: Verdachte wordt ontvankelijk verklaard in hoger beroep ondanks termijnoverschrijding vanwege het ontbreken van een vertaling van de mededeling van het vonnis.