Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1294

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/421
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WBRArt. 14 EVRMArt. 1 EPArt. 26 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging woningwaardegrens startersvrijstelling overdrachtsbelasting niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van overdrachtsbelasting over de aankoop van een woning met een waarde van €535.000, waarbij de startersvrijstelling niet werd toegepast vanwege de woningwaardegrens van €400.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt dit oordeel.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de woningwaardegrens in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, onder 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragen zoals het EVRM en het Eerste Protocol. Het Hof overweegt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij fiscale regelgeving en dat de grens niet evident van redelijke grond is ontbloot.

De wetgever heeft de grens ingevoerd om starters die het meest een steuntje in de rug nodig hebben te helpen en heeft daarbij rekening gehouden met uitvoerbaarheid en doelmatigheid. Het Hof wijst het beroep af en bevestigt dat de regeling niet discrimineert en proportioneel is in het licht van het beoogde doel.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de woningwaardegrens van de startersvrijstelling wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/421
24 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Y] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 12 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2452 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Ter zake van de verwerving van een onroerende zaak in 2022 heeft belanghebbende tezamen met [naam 1] ( [naam 1] ) € 10.700 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting een pleitnota overgelegd.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Tijdens deze zitting is het onderhavige hoger beroep gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van
[naam 1] met kenmerk 25/422. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en [naam 1] worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eisers hebben voor € 535.000 een woning gelegen aan het [straat] te [Y] (hierna: de woning) gekocht. Bij akte van 12 augustus 2022 is de woning geleverd. Ter zake van de verkrijging hebben eisers € 10.700 (2% van € 535.000) overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
2. Op 21 september 2022 hebben eisers tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt, en geklaagd over het niet toepassen van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p (hierna ook: de startersvrijstelling), van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de WBR).”
2.2.
Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of terecht overdrachtsbelasting is geheven.
3.2.
Meer specifiek is in geschil of de woningwaardegrens van de startersvrijstelling in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, onder 4, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in internationale verdragen (onder meer in artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol daarbij (EP)).

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“8. Met ingang van 1 januari 2021 is de Wet differentiatie overdrachtsbelasting (Stb. 2020, 545) in werking getreden. Hierbij is de startersvrijstelling ingevoerd. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, van de WBR, luidde in het jaar 2022, voor zover hier van als belang, als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de
belasting vrijgesteld de verkrijging:
(...)
p. van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, en de gelijktijdige verkrijging van de tot die woning behorende aanhorigheden, indien:
1°. de verkrijger een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan vijfendertig jaar is;
2°. de verkrijger deze vrijstelling niet eerder heeft toegepast en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring; en
3°. de verkrijger de verkregen woning of rechten waaraan deze is onderworpen na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring;
4°. het totaal van de waarde van de woning of rechten waaraan deze is onderworpen en tot die woning behorende aanhorigheden niet uitkomt boven € 400.000. (…)”
9. Tussen partijen is niet in geschil dat met de onderhavige verkrijging is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld onder 1°, 2° en 3° van de startersvrijstelling. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het op aangifte voldane bedrag conform de WBR is berekend. Het geschil spitst zich, naar de rechtbank uit de stellingen van eisers begrijpt, toe op de vraag of de bepaling die is opgenomen in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, onder 4°, van de WBR (hierna ook: woningwaardegrens) zich verdraagt met de discriminatieverboden zoals neergelegd in internationale verdragen, in het bijzonder artikel 14 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR).
10. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vraag voorop dat aan de wetgever op fiscaal gebied in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het – zoals in dit geval – niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. HR 22 november 2013, ECLI:NL:2013:1206 en laatstelijk HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657).
11. Uit de memorie van toelichting bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting kan worden opgemaakt dat de wetgever met de startersvrijstelling heeft beoogd de positie van de starter op de koopwoningmarkt te verstevigen (ten opzichte van die van beleggers) (Kamerstukken II 2020/21, 35 576, nr. 3, p. 1-2, 4 en 8). Daarbij heeft de wetgever in navolging van een onderzoek van [bedrijf] geconcludeerd dat een definitie van de starter, die niet gebaseerd is op leeftijd maar op de eerste verkrijging van de woning, niet tot nauwelijks uitvoerbaar is, omdat zowel het Notariaat als de Belastingdienst met gegevens uit het Kadaster niet met zekerheid kan vaststellen of een koper een starter is. De wetgever heeft (mede) daarom voor de definitie van starter (in eerste instantie) aansluiting gezocht bij een leeftijdsgrens (Kamerstukken II 2020/21, 35 576, nr. 3, p. 8, 9). Met ingang van 1 april 2021 is bij gewijzigd amendement vervolgens als aanvullende voorwaarde de woningwaardegrens toegevoegd aan de startersvrijstelling.
12. De conclusie van eisers dat de wetgever het begrip ‘starter’ bij de startersvrijstelling in zekere zin heeft losgelaten en dat de oorspronkelijke doelgroep van de vrijstelling daardoor niet geheel wordt beslagen, is gelet op het voorgaande in zoverre juist. Echter, anders dan eisers in hun betoog kennelijk veronderstellen, is bij de beoordeling door de rechtbank niet van belang dat de wetgever bij de vormgeving van de startersvrijstelling andere keuzes had kunnen maken die mogelijk (nog) meer zouden aansluiten bij de doelstelling van de startersvrijstelling. Gelet op het betoog van eisers, gaat het er in dit geval om of de door de wetgever gemaakte keuze voor een woningwaardegrens in de vorm van een drempelwaarde bij de startersvrijstelling evident van redelijke grond ontbloot is.
13. Naar het oordeel van de rechtbank berust de woningwaardegrens in de vorm van een drempelwaarde bij de startersvrijstelling op een keuze van de wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. Bij deze drempelvrijstelling heeft de wetgever kennelijk gedacht aan minder vermogende huizenkopers die in de vorm van de startersvrijstelling een duwtje in de rug het hardst nodig hebben (zie ook de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 november 2020, nr. 32 847, nr. 695). Het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen meer en minder vermogende huizenkopers is niet evident van redelijke grond ontbloot. Dat de woningwaardegrens mede is ingevoerd vanwege budgettaire redenen, doet daaraan niet af. De wetgever heeft de in onderdeel 10 bedoelde grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid naar het oordeel van de rechtbank dus niet overschreden, zodat van discriminatie in de hiervoor bedoelde zin geen sprake is.
14. Aangaande hetgeen eisers verder hebben aangevoerd merkt de rechtbank nog het volgende op. Volgens eisers toont de parlementaire geschiedenis aan dat over de vormgeving van de startersvrijstelling niet goed is nagedacht. Op zichzelf biedt deze stelling (mede gelet op het voorgaande) geen grond voor het buiten toepassing laten van de woningwaardegrens, maar deze stelling mist bovendien ook feitelijke grondslag. De wetgever heeft twee onderzoeksrapporten van [bedrijf] laten opmaken en heeft verschillende alternatieven afgewogen op uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid, waaronder een definitie op basis van spraakgebruik, het wel of niet zijn van een natuurlijk persoon, woningbezit/eigendom uit gegevens van Kadaster, leeftijd van de verkrijger, omvang van de koopsom van de woning, een zelfbewoningsplicht, een koppeling aan de NHG-garantie, het nog niet eerder verschuldigd zijn geweest van overdrachtsbelasting, de aanvraag van een starterslening of een koppeling aan faciliteiten in de inkomstenbelasting, zoals eigenwoningfaciliteit of hypotheekrenteaftrek. De door eisers ter zitting overgelegde pleitnota alleen al bevat een uitvoerige uiteenzetting van de parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel, hoe daarover is beraadslaagd, de bezwaren die door enkele parlementariërs zijn geuit en de amendementen die zijn ingediend. Dat die opmerkingen en amendementen naar de opvatting van eisers niet tot het gewenste resultaat hebben geleid en dat de vrijstelling in de huidige vorm volgens eisers niet goed werkt, maakt dit niet anders.
15. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak een juiste beslissing genomen. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop het berust en maakt deze tot de zijne.
In aanvulling daarop en mede naar aanleiding van het in hoger beroep aangevoerde, overweegt het Hof als volgt.
5.2.
Belanghebbende beroept zich onder meer op het arrest dat door de Hoge Raad gewezen is voor de vermogensrendementsheffing van Box 3; het zogenoemde kerstarrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963). Belanghebbende betoogt, gebruikmakend van de gedachtegang van het kerstarrest, dat de wetgever bij het invoeren van een harde woningwaardegrens bij de startersvrijstelling een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt tussen kopers van een woning waarvan de koopprijs net boven de woningwaardegrens uitkomt en kopers van een woning met een koopprijs net daaronder. De ene groep betaalt over de volle waarde van de woning overdrachtsbelasting en de andere groep profiteert van een vrijstelling van overdrachtsbelasting over de gehele waarde van de verkrijging. Een gerechtvaardigde vormgeving zou volgens belanghebbende moeten uitmonden in een voetvrijstelling.
5.3.
Het toepasselijke rechtskader voor toetsing van aspecten van belastingheffing aan de internationale rechten waarop belanghebbende zich beroept, is door de Hoge Raad in het kerstarrest als volgt uiteengezet (citaat zonder voetnoot):
“3.2.1. (…) het heffen van belasting [is] een inmenging (…) in het door artikel 1 EP Pro gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd (…) om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling of de heffing van box 3 op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.
3.2.2.
Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van Pro het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.”
5.4.
Het Hof is van oordeel dat de vergelijkbaarheid die belanghebbende voor ogen heeft van de woningwaardegrens met de situatie die aan de orde was in het kerstarrest op een aantal punten spaak loopt.
5.5.1.
Ten eerste ging het bij de vermogensrendementsheffing om een stelsel met forfaitaire elementen dat moest voldoen aan de voorwaarde dat daarmee wordt getracht de werkelijkheid te benaderen zonder dat dat teveel ongelijkheid veroorzaakt (zie 3.3.2. van het kerstarrest). In het onderhavige geval gaat het om een regeling waarmee de wetgever juist beoogde een onderscheid te maken om een specifieke groep te helpen, te weten de starters op de koopwoningmarkt die “echt een steuntje in de rug nodig hebben”. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de startersvrijstelling blijkt dat de wetgever zich heeft afgevraagd hoe die groep starters het beste kon worden afgebakend. De keuze om een voetvrijstelling in te voeren is expliciet aan de orde geweest en verworpen, omdat het weliswaar een sympathieke gedachte was, maar het laten delen van vermogende starters in de vrijstelling niet strookte met het zo-even genoemde (niet-budgettaire) doel van de regeling. Het Hof voegt hieraan toe dat het wettelijke systeem geen inherent gradueel systeem kent, zoals belanghebbende betoogt, maar dat de keuze voor een graduele regeling of harde grens afhankelijk is van het doel van de desbetreffende regeling.
5.5.2.
Het hierboven overwogene over het doel van de regeling volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de woningwaardegrens bij de startersvrijstelling (TK Voorzetting van de behandeling van het Pakket Belastingplan 2021 op 11 november 2020, nr. 23, item 11, blz. 9-11 en 17-19). Het Hof wijst in het bijzonder op de volgende passages daaruit:
“Een grens invoeren betekent per definitie dat die arbitrair is. Bij die grens van €400.000 wordt minstens 94% van de starters onder de 35 jaar geholpen. Daarom denk ik dat het zijn doel dient. (..) We hebben goed gekeken waar de grens ligt en of dat ook voldoende is voor starters in de Randstad. We bereiken een heel groot deel van de starters met deze maatregel. [blz. 10-11].
(…)
Dan (ben) ik bij het amendement- [naam 2] op stuk nr. 14. Zij stellen voor een woningwaardegrens van €400.000 per in april in te voeren. Wij zijn de indieners dankbaar voor dit amendement, want wij denken dat de vrijstelling doeltreffender wordt en dat een niet precies bedoeld effect, namelijk dat heel vermogende starters ook die vrijstelling zouden krijgen, hiermee is opgelost. [blz. 17]
(…)
Mijn hoofdargument was niet het budgettaire argument. Mijn hoofdargument is: welke starters willen we nou eigenlijk helpen? We willen graag de starters helpen die echt een steuntje in de rug nodig hebben Daarom hebben we gekozen voor de vormgeving die voorligt. Want als je van een drempelvrijstelling naar een voetvrijstelling gaat, help je alle starters. Dat is op zich ook sympathiek (…). Maar dat zijn ook mensen die het niet per se nodig hebben. Dat is echt de hoofdreden (…) van het voorstel van het kabinet. [blz. 19]”
5.6.
Ten tweede is het grensbedrag voor de woningwaarde (van aanvankelijk € 400.000) niet willekeurig gekozen, maar gebaseerd op de gemiddelde, landelijke woningwaarde (zie het gewijzigde, aangenomen amendement [naam 2] , TK 2020-2021, 35 576, nr. 28). Het bedrag van de woningwaardegrens wordt steeds aangepast aan de ontwikkelingen op de woningmarkt (lid 10 van artikel 15 WBR Pro). Het afbakenen van de meer en minder vermogende groep starters is daarmee gebaseerd op een objectief aanknopingspunt. Er is dus, anders bij het stelsel van Box 3, geen sprake van een stelsel dat een arbitraire ongelijkheid veroorzaakt (zie 3.3.5. van het kerstarrest). Het valt binnen de vrijheid die de wetgever toekomt, en het is in het licht van het doel van de regeling te rechtvaardigen, dat de minder vermogende starter vrijgesteld wordt en de meer vermogende starter belast.
5.7.
Ten derde betekenen de omstandigheden dat de regeling in het publieke debat becommentarieerd en door de overheid geëvalueerd wordt, niet zonder meer dat de keuzes die de wetgever bij het invoeren van de startersvrijstelling met de woningwaardegrens heeft gemaakt de toets aan de in het geding zijnde internationale rechten niet konden, of niet langer kunnen doorstaan. Ook niet als ruimte voor verbetering gevonden wordt. Zoals in 5.5 en 5.6 overwogen liggen aan de vormgeving van de onderhavige regeling, gelet op de doelstelling te rechtvaardigen keuzes ten grondslag, terwijl de Hoge Raad bij Box 3 wel een schending van fundamentele rechten constateerde (zie 3.6.2. van het kerstarrest). Naar het oordeel van het Hof zijn er, ook in het licht van wat belanghebbende heeft aangevoerd aan actualiteiten, geen ontwikkelingen geweest die afbreuk doen aan de rechtmatigheid van de regeling.
5.8.
Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat terecht overdrachtsbelasting is geheven. De woningwaardegrens van de startersvrijstelling is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in internationale verdragen.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

6.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op