Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1310

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.359.916/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 377a BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming verhuizing en wijziging zorgregeling voor jonge tweeling

De zaak betreft een geschil tussen de ouders over de verhuizing van de moeder met hun tweeling en de zorgregeling. De rechtbank had toestemming gegeven voor de verhuizing naar een andere regio en een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in een cyclus bij de vader verblijven. De vader ging in hoger beroep en verzocht terugverhuizing en een co-ouderschapsregeling. De moeder stemde in met de verhuizing maar wilde een andere zorgregeling en proceskostenveroordeling.

Het hof oordeelt dat de moeder terecht toestemming heeft gekregen om met de kinderen te verhuizen naar de nieuwe regio, gezien haar complexe situatie na het uiteengaan en het ontbreken van een netwerk in de oude regio. Het hoofdverblijf blijft bij de moeder. Het belang van de kinderen bij hechting aan beide ouders weegt zwaar, daarom wijzigt het hof de zorgregeling in een om de week regeling van donderdag tot donderdag, waarbij de vader het halen en brengen verzorgt.

De vakantieregeling wordt aangepast met een maximale aaneengesloten verblijfsduur van twee weken in de zomervakantie tot 2027 en drie weken vanaf 2028. De overige vakanties en feestdagen worden verdeeld conform het voorstel van de vader. De proceskostenveroordeling wordt afgewezen en iedere partij draagt haar eigen kosten.

Uitkomst: De verhuizing van de moeder met de kinderen wordt bekrachtigd en de zorgregeling gewijzigd in een om de week verblijf met aangepaste vakantie- en feestdagenregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.916/01
zaaknummer rechtbank: C/15/359207 / FA RK 24-5902
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.G. Kalk te Nijmegen,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verhuizing van de moeder met de tweeling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (2 jaar) en de zorgregeling tussen hen en de vader. De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen – kort gezegd – zich met de moeder in [plaats B] mogen vestigen en in een cyclus van twee keer vier weken drie keer per vier weken een aantal dagen achter elkaar bij de vader verblijven.
De vader is het daar niet mee eens en vindt dat de kinderen moeten terugverhuizen naar de regio [plaats C] / [plaats A] en dat een co-ouderschapregeling moet worden bepaald. De moeder is het wel eens met de beslissing over de verhuizing maar wil een andere zorgregeling dan de rechtbank heeft bepaald en een proceskostenveroordeling.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 6 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 24 november 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 22 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 9 februari 2026 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vader van 17 februari 2026 met bijlage.
2.5
De zitting heeft op 6 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V. Regout.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2024, en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2024.
De ouders hebben van 24 november 2013 tot 19 juli 2024 een relatie met elkaar gehad. Sinds april 2014 woonden zij samen. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen verblijven bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang- en uitvoerbaar bij voorraad - in de bestreden beschikking:
- de moeder vervangende toestemming verleend om zich met de kinderen te vestigen aan het adres [A-straat] te [plaats B] ;
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald;
- een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven:
in een cyclus van twee keer vier weken: drie keer per vier weken een aantal dagen achtereen inclusief de zondag, en wel als volgt:
gedurende de eerste cyclus van vier weken verblijven de kinderen bij de vader: twee keer drie dagen achtereen inclusief de zondag en één keer twee dagen achtereen inclusief de zondag;
gedurende de tweede cyclus van vier weken: twee keer twee dagen achtereen inclusief de zondag en één keer drie dagen achtereen inclusief de zondag.
De kinderen zullen vanaf de avond vóórdat de kinderen de hele dagen bij de vader zijn vanaf 19.00 uur bij de vader verblijven tot aan de laatste dag om 15.00 uur.
De ouders dienen de precieze dagen in te vullen aan de hand van het dienstrooster van de vader.
Het halen en brengen van de kinderen dienen de ouders in onderling overleg te regelen, waarbij de moeder in beginsel in het weekend haalt of brengt nu zij in de weekenden niet werkzaam is. Valt het begin of einde van de regeling buiten het weekend, dan brengt of haalt de vader in beginsel de kinderen.
4.2
De vader verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
I. de moeder binnen zes maanden na afgifte van de beschikking met de kinderen dient terug te verhuizen naar de regio [plaats C] / [plaats A] en wanneer de moeder niet tijdig terugverhuist met de kinderen, de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader krijgen en een nader te bepalen zorgregeling met de moeder;
II. indien de moeder met de kinderen is terugverhuisd er een co-ouderschapsregeling zal gelden waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader waarbij de wisseldag op donderdag 19.00 uur zal zijn;
III. wanneer de moeder en de kinderen dienen terug te verhuizen de volgende verdeling van de feestdagen en vakanties zal gelden, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen ophaalt bij de vader:
Kerstvakantie: de kinderen verblijven in het even jaar de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de vader en de tweede week bij de moeder, inclusief Oud en Nieuw, in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de moeder en de tweede week bij de vader, inclusief Oud en Nieuw;
Pasen: vanaf de donderdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Goede Vrijdag zijn de kinderen in het even jaar bij de vader en in het oneven jaar bij de moeder;
Hemelvaart: de kinderen zijn vanaf woensdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Hemelvaart in het even jaar bij de moeder en het oneven jaar bij de vader;
Pinksteren: in het oneven jaar zijn de kinderen bij de vader en in het even jaar bij de moeder;
Vaderdag/Moederdag: kinderen het hele weekend bij de vader met Vaderdag en met Moederdag bij de moeder, hetgeen dus kan betekenen dat er een weekend geruild dient te worden;
waarbij de vakantieregeling prevaleert boven de feestdagenregeling.
Alle overige schoolvakanties worden bij helfte gedeeld, waarbij de vader de kinderen drie aaneengesloten weken heeft in de zomervakantie en de kinderen in de oneven jaren in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijven en in de herfstvakantie bij de moeder en de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijven en in de herfstvakantie bij de vader, waarbij voor de verdeling van de schoolvakanties het vakantierooster van de vader leidend zal zijn;
IV. Wanneer de moeder niet gehouden is terug te verhuizen met de kinderen naar de regio [plaats C] / [plaats A] , totdat de kinderen naar school gaan, er primair een co-ouderschapsregeling zal gelden waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader waarbij het wisselmoment op donderdag tussen 17.00 uur en 19.00 uur zal zijn, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen ophaalt bij de vader, dan wel subsidiair er een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen eens per veertien dagen van donderdag tot en met maandag bij de vader zullen verblijven waarbij de moeder de kinderen op donderdag tussen 17.00 uur en 19.00 uur bij de vader brengt en de vader de kinderen op maandag om 17.00 uur terugbrengt bij de moeder;
V. de kinderen, tot ze naar school gaan, in de oneven jaren op hun verjaardag bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen de avond voor de verjaardag ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen de dag na hun verjaardag ophaalt bij de vader, de tijdstippen in onderling overleg overeen te komen;
VI. indien de kinderen niet dienen terug te verhuizen zij één weekend extra per jaar naar de vader toegaan in het weekend na de verjaardag van de vader, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder op vrijdag en de moeder de kinderen ophaalt bij de vader op zondag;
VII. vanaf het moment dat de kinderen naar school gaan en de moeder niet met de kinderen dient terug te verhuizen, de kinderen eens per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond bij de vader verblijven waarbij de vader de kinderen op vrijdagmiddag uit school ophaalt en de moeder de kinderen op zondagavond om 18.00 uur bij de vader ophaalt, alsmede te bepalen dat wanneer de kinderen op de vrijdag voorafgaand aan het weekend van de vader een studiedag hebben, de vader de kinderen op donderdagavond 18.00 uur ophaalt bij de moeder.
VIII. Wanneer de moeder en de kinderen niet dienen terug te verhuizen de volgende verdeling van de feestdagen en vakanties zal gelden, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en de moeder de kinderen ophaalt bij de vader:
Kerstvakantie: de kinderen verblijven in het even jaar de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de vader en de tweede week bij de moeder, inclusief Oud en Nieuw, in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de moeder en de tweede week bij de vader, inclusief Oud en Nieuw.
Pasen: vanaf de donderdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Goede Vrijdag zijn de kinderen in het even jaar bij de vader en in het oneven jaar bij de moeder;
Hemelvaart: de kinderen zijn vanaf woensdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Hemelvaart in het even jaar bij de moeder en het oneven jaar bij de vader;
Pinksteren: in het oneven jaar zijn de kinderen bij de vader en in het even jaar bij de moeder;
waarbij de vakantieregeling prevaleert boven de feestdagenregeling;
Zomervakantie: de kinderen drie aaneengesloten weken bij de vader verblijven waarbij het vakantierooster van de vader leidend zal zijn:
Voorjaarsvakantie: de kinderen elk jaar volledig bij de vader verblijven;
Vaderdag/Moederdag: kinderen het hele weekend bij de vader met Vaderdag en met Moederdag bij de moeder, hetgeen dus kan betekenen dat er een weekend geruild dient te worden.
Halen en brengen van de kinderen: de moeder de kinderen altijd naar de vader toebrengt en ophaalt in het kader van de feestdagen en vakanties.
4.3
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.4
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de reguliere zorgregeling voor de kinderen als volgt vast te stellen:
In de huidige situatie:
even weekenden voor de vader van vrijdag 10.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur en de oneven weekenden voor de moeder, waarbij de vader de kinderen op vrijdagochtend bij de moeder ophaalt en de moeder op zondagmiddag om 16.00 uur bij de vader;
zodra de kinderen naar school gaan:
even weekenden voor de vader van vrijdag uit school, althans het einde van de middag tot zondagmiddag 16.00 uur waarbij de oneven weekenden voor de moeder zijn, waarbij de vader de kinderen op vrijdag ophaalt en de moeder op zondagmiddag weer bij de vader;
de vakantie- en feestdagenregeling zoals door de vader voorgesteld is akkoord, echter met dien verstande dat de herfstvakantie ook om en om plaatsvindt en dat de zomervakantie maximaal een hele week achter elkaar is, totdat de kinderen vier jaar oud zijn waarna het kan worden uitgebreid naar twee weken aaneengesloten en bij acht jaar oud naar drie weken aaneengesloten. Daarbij dient de vader zijn plannen voor de zomervakantie uiterlijk in de maand maart aan de moeder kenbaar te hebben gemaakt en als dat niet gebeurt, de moeder geen rekening hoeft te houden met het rooster van de vader in de (vakantie)maanden juli en augustus voor haar planning van de zomervakantie.
Tot slot verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van dit geding alsook in de kosten van het geding in eerste aanleg.
4.5
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
5.2
Uit artikel 1:253a BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De standpunten
5.3
De vader wil een belangrijke rol vervullen in het leven van de kinderen. In verband met zijn werk en vangnet is het voor hem echter alleen mogelijk om een betrokken ouderrol te vervullen vanuit de omgeving waar hij nu woont. Bovendien hebben partijen tijdens hun relatie gezamenlijk besloten om hun kinderen in [plaats C] te laten opgroeien. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat partijen nog geen bestaan hadden opgebouwd in [plaats C] . Partijen hebben de woning in [plaats C] samen gekocht en hebben daar van april 2023 tot midden februari 2024 gewoond. In februari 2024 is een gezamenlijk gewenste verbouwing begonnen die tot en met juni 2024 duurde.
De vader betwist dat hij rondom de geboorte van de kinderen vooral bezig was met de verbouwing terwijl de moeder de voornaamste zorg voor de kinderen droeg. De vader was een betrokken ouder tot de moeder verhuisde. Sindsdien heeft hij een beperkte zorgregeling van een weekend per 14 dagen met veel reisbewegingen. De vader vreest dat dit zo zal blijven als de moeder in [plaats B] blijft wonen. De kinderen zijn nog zo jong dat zij nog niet geworteld zijn in [plaats B] . Bij een terugverhuizing zullen zij opgroeien in de omgeving die de ouders voor ogen hadden.
De verhuizing van de moeder met de kinderen was bovendien niet noodzakelijk, niet voorbereid en niet doordacht. De moeder is drie weken na het verbreken van de relatie naar haar ouders gegaan zonder een zorgregeling met de vader overeen te komen. In het begin had zij geen kinderopvang of eigen woning. Dit heeft zij allemaal geregeld zonder dat zij toestemming had om te verhuizen, waardoor zij de vader voor een voldongen feit heeft gesteld en zichzelf de rol van hoofdverzorger heeft toegeëigend. Ook heeft de moeder de vader geen compensatie aangeboden voor de gevolgen van de verhuizing en lukt het haar niet om op constructieve wijze met hem te communiceren. Door de grote afstand is het daardoor moeilijk voor de vader om de kinderen te zien. Hij is afhankelijk van de communicatie vanuit de moeder en kan niet makkelijk even langskomen. Het belang van de vader om een substantieel deel van de zorgtaken op zich te nemen weegt zwaarder dan het belang van de moeder om te verhuizen.
De vader wil een betrokken ouder zijn door middel van een week op week af- regeling, met als wisseldag de donderdag. De week dat de vader voor de kinderen zorgt zal hij drie dagen werken waarvan één vliegdag en twee kantoordagen, waarvan één thuiswerkdag, de donderdag. De ouders van de vader zullen oppassen op zijn vliegdag.
De vader vindt het in het belang van de kinderen dat zij juist in de zomervakantie langere tijd achter elkaar met hun vader kunnen doorbrengen. Bij de werkgever van de vader worden de mei- en zomervakanties vastgesteld per 1 december van het daaraan voorafgaande jaar. Ten aanzien van de herfst-, kerst- en voorjaarsvakantie kan de vader uiterlijk 1 juli daaraan voorafgaand aan de moeder communiceren. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de vakantiewensen bij de werkgever van de vader niet altijd gehonoreerd kunnen worden waardoor het vakantierooster van de vader leidend dient te zijn in de verdeling van de vakanties van de kinderen
Tot slot vindt de vader dat de verzochte proceskostenveroordeling moet worden afgewezen.
5.4
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat partijen voor ogen hadden om hun kinderen te laten opgroeien in [plaats C] . Dat is echter helemaal veranderd nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. De moeder heeft geen binding met de regio [plaats C] / [plaats A] en in de korte periode dat zij daar woonde heeft zij deze ook niet kunnen opbouwen. Na de geboorte van de kinderen stond de moeder er voor haar gevoel alleen voor. Toen partijen uit elkaar gingen in juni 2024 waren de kinderen nog baby’s en was de woning in [plaats C] nog niet bewoonbaar. De huur van de tijdelijke vakantiewoning liep af waardoor de moeder niet anders kon dan naar haar ouders in [plaats D] gaan. De familie van de vader heeft de moeder dit zelfs geadviseerd en haar geholpen met verhuizen.
De moeder heeft zich georiënteerd op het kopen van een woning in de omgeving van [plaats C] . Met haar inkomen is dat echter niet mogelijk en huurwoningen waren niet beschikbaar. Het is in de huidige woningmarkt een zegen dat zij zo’n geschikte woning heeft kunnen vinden in [plaats B] . Bovendien heeft de vader zonder overleg een woning gekocht in [plaats A] .
Ondanks de afstand vindt de moeder het belangrijk dat de kinderen een band opbouwen met hun vader. Haar ervaring is echter dat de vader niet vaker beschikbaar is dan om de week een weekend. Daarom verzoekt zij in overeenstemming met de werkelijkheid een weekendregeling vast te leggen. In de weekenden kan zij heen en weer rijden maar in verband met haar werk is het voor haar niet mogelijk om door de weeks heen en weer te rijden naar [plaats A] .
De voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling is wat de moeder betreft akkoord. De voorjaarsvakantie wil zij echter om het jaar delen. Drie om drie weken in de zomervakantie vindt zij op dit moment nog te veel lang voor de jonge kinderen. Zij vindt het passend om de kinderen maximaal één hele week achter elkaar bij de vader te laten verblijven totdat zij vier jaar oud zijn. Dan kan worden uitgebreid naar twee weken aaneengesloten en pas bij acht jaar oud naar drie weken aaneengesloten.
Tot slot verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Omdat de vader in strijd met artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet naar waarheid verklaart tegenover de rechtbank en het hof, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geen advies gegeven over de vraag of de moeder met de kinderen moet verhuizen naar de regio [plaats C] / [plaats A] of dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader moeten krijgen, maar zich wel op het standpunt gesteld dat het voor de kinderen het meest van belang is dat zij beide ouders dicht in de buurt hebben en dat die zoveel mogelijk bij helfte voor hen zorgen. Zo wordt hen de mogelijkheid gegeven om zich stevig te kunnen hechten aan beide ouders. Dat is goed voor hun ontwikkeling en zorgt voor emotionele stabiliteit bij de kinderen. Gelet op hun leeftijd zijn de kinderen nog niet geworteld op een plek. De ouders wonen ver uit elkaar. Het is voor de raad moeilijk om te zeggen dat één van de ouders moet verhuizen of bij welke ouder de kinderen het beste af zijn. Als de ouders zover uit elkaar blijven wonen, kan in ieder geval totdat zij naar de basisschool gaan sprake zijn van een ruimere regeling tussen de kinderen en de vader dan nu. Dat zal nog een kleine twee jaar zo zijn. In die tijd kan er van alles gebeuren, er kunnen andere keuzes worden gemaakt, relaties kunnen verstevigen, of niet. In ieder geval kan op dit moment worden ingezet op een grotere rol voor de vader in het leven van de kinderen. Mocht het hof daarvoor kiezen dan moet dit uitvoerbaar zijn voor de ouders. Zij kunnen hierbij hulp vragen van hun netwerk. Tot slot heeft de raad de ouders op het hart gedrukt dat kinderen zeer gevoelig voor spanning zijn en dit altijd oppikken. De sfeer bij de overdracht is belangrijk voor de kinderen. Het is belangrijk dat de ouders frustraties inslikken in hun bijzijn, aldus de raad ter zitting in hoger beroep.
De beoordeling door het hof
5.6
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
De ouders woonden van april 2014 tot april 2023 samen in [plaats E] . In april 2023 zijn zij in [plaats C] gaan wonen omdat de vader een baan had gekregen in [plaats F] . In 2020 zijn de ouders samen een fertiliteitstraject gestart. In januari 2024 zijn de kinderen geboren. Vanaf februari 2024 woonde het gezin tijdelijk in een vakantiewoning in verband met de verbouwing van de woning in [plaats C] . In juni 2024 zijn de ouders uit elkaar gegaan. De moeder is drie weken daarna bij haar ouders in [plaats D] gaan wonen met de kinderen.
De ouders hadden voor ogen dat hun kinderen zouden opgroeien in het huis in [plaats C] . Door hun uiteengaan is dat anders gelopen. Sinds maart 2025 woont de moeder in een passende huurwoning in [plaats B] en heeft daar de kinderopvang geregeld. Haar ouders wonen in de buurt in [plaats D] , haar huidige partner woont bij haar in dezelfde straat, haar werk is in [plaats] . De vader heeft een eigen huis in [plaats A] . Hij heeft bewust gekozen voor een baan in [plaats F] omdat de werktijden daar beter te combineren zijn met een gezinsleven. Ook wonen zijn broer en ouders in de buurt. Zijn huidige partner woont in Duitsland, dichtbij [plaats A] .
De ouders verschillen van inzicht over de rol van de vader na de geboorte van de kinderen, voordat de ouders uit elkaar gingen. Volgens de moeder was de vader veel afwezig. Volgens de vader was hij een betrokken ouder. Vaststaat dat de vader een betrokken ouder wil zijn en geen weekendvader.
Sinds de ouders uit elkaar zijn, zijn de kinderen gemiddeld een weekend per 14 dagen bij de vader. Het is de ouders niet gelukt tot een uitbreiding van deze regeling te komen en zij leggen allebei de oorzaak daarvan bij de andere ouder.
Tussen de ouders bestaan spanningen. De moeder was na hun uiteengaan erg boos op de vader. Ter zitting in hoger beroep heeft zij gezegd dat deze boosheid met behulp van een psycholoog en door het verstrijken van de tijd inmiddels is afgenomen. Wel is zij nog steeds verdrietig over de manier waarop de ouders uit elkaar zijn gegaan. Desondanks hoopt zij in de toekomst in harmonie samen met de vader voor de kinderen te kunnen zorgen. Verder heeft de moeder ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij bang is voor de vader tijdens de overdrachten en daarom mensen meeneemt bij de overdracht van de kinderen. Volgens de vader leidt de aanwezigheid van de partner van de moeder bij de overdrachten tot spanning en ruzie.
Vervangende toestemming verhuizing
5.7
Het hof zal de vervangende toestemming aan de vrouw om zich met de kinderen in [plaats B] te vestigen bekrachtigen. Het hof komt tot dit oordeel omdat het belang van de moeder bij verhuizing met de kinderen naar [plaats B] zwaarder weegt dan het belang van de vader dat de kinderen dicht bij hem in de omgeving [plaats C] / [plaats A] wonen. Ten tijde van het uiteengaan van de ouders bevond de moeder zich in een complexe situatie waarbij zij met twee baby’s zonder duurzame huisvesting kwam te zitten. Zij is destijds uit nood naar haar ouders in [plaats D] gegaan. Zij heeft slechts kort in de omgeving van [plaats C] gewoond, waarvan grotendeels zwanger of net bevallen van een tweeling. Hierdoor heeft zij niet de kans gehad om een netwerk op te bouwen in de omgeving. Alle omstandigheden van het geval afgewogen, komt het hof tot het oordeel dat de noodzaak tot verhuizing er destijds voor de moeder was.
Verder is het hof van oordeel dat ook op dit moment niet van de moeder gevergd kan worden dat zij terugverhuist naar de regio [plaats C] / [plaats A] , ondanks dat de kinderen niet geworteld zijn in [plaats B] in verband met hun leeftijd. Zoals hiervoor al beschreven heeft de moeder geen eigen netwerk kunnen opbouwen in de regio [plaats C] / [plaats A] door de geringe tijd die zij daar heeft gewoond. Zij heeft wel een netwerk in de regio [plaats B] , dat zij in verband met de opvoeding van twee nog zeer jonge kinderen hard nodig heeft. Bovendien werkt zij in [plaats] en de reistijd daarnaartoe vanuit [plaats B] is behapbaar voor een alleenstaande ouder. Van haar kan niet worden gevergd dat zij meerdere dagen in de week naar [plaats] zou moeten rijden vanuit de regio [plaats C] / [plaats A] , terwijl zij alleen de zorg heeft voor de kinderen, in een regio waar zij geen netwerk heeft om op terug te vallen.
Hoofdverblijfplaats
5.8
Voortvloeiend uit de beslissing dat de moeder zich met de kinderen mag vestigen in [plaats B] is het hof met de rechtbank van oordeel dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder moet worden bepaald. Het zwaartepunt van het leven van de kinderen is sinds juni 2024 bij de moeder in [plaats B] en zij is in ieder geval sinds het uiteengaan van de ouders de hoofdverzorger van de kinderen geweest. Het hof zal ook deze beslissing bekrachtigen.
Zorgregeling
5.9
Het hof is met de raad van oordeel dat het in belang van de kinderen is dat zij zich aan beide ouders kunnen hechten. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep gezegd dat zij het belangrijk vindt dat de kinderen een band opbouwen met de vader. Voor het opbouwen van een band is het helpend als zij de vader vaker zien dan nu het geval is. Daarom zal het hof bepalen dat de kinderen in ieder geval zo lang zij niet naar de basisschool in [plaats B] gaan, om de week van donderdag tot donderdag bij de ene ouder zijn en de andere week van donderdag tot donderdag bij de andere ouder, zoals de vader onder IV, primair, heeft verzocht. Deze regeling zal helpen om de band tussen vader en de kinderen te verstevigen. Andere zorgregelingen zijn ter zitting in hoger beroep besproken, maar deze bleken om praktische redenen niet haalbaar. Het hof bepaalt verder dat de vader het halen en brengen op zich neemt omdat de wissel op donderdag plaatsvindt en hij die dag vroeg vrij is na het thuiswerken.
Het hof realiseert zich dat deze regeling moeilijkheden kan geven wanneer de kinderen naar de basisschool gaan. Het hof gaat ervan uit dat de ouders te zijner tijd hun verantwoordelijkheid als ouder nemen en in overleg zullen treden over hetgeen er dan mogelijk en wenselijk is voor de kinderen.
Vakantieregeling
5.1
Het hof is het met de moeder eens dat de kinderen op dit moment nog te jong zijn om drie weken aaneengesloten één van de ouders te missen. Daarom zal het hof bepalen dat de kinderen in de zomervakanties in de jaren 2026 en 2027 maximaal twee weken aaneengesloten bij iedere ouder zijn. Vanaf de zomervakantie van 2028 zullen zij naar de basisschool gaan en oud genoeg zijn om drie weken aaneengesloten bij iedere ouder zijn.
Aangezien de ouders, gelet op het voorgaande een co-ouderschap zullen gaan uitvoeren, is er geen aanleiding om de vader te compenseren in tijd en hem ieder jaar de voorjaarsvakantie met de kinderen te laten doorbrengen. Daarom zal het hof deze om het jaar tussen de ouders verdelen. Over de overige vakanties en feestdagen bestaat tussen partijen overeenstemming, zodat het hof dat zal vastleggen zoals door de vader verzocht.
Proceskostenveroordeling
5.11
De ouders zijn gewezen partners en samen ouders van de kinderen. Voor een uitzondering op de regel dat proceskosten tussen gewezen partners worden gecompenseerd, zoals door de moeder verzocht, ziet het hof geen aanleiding. Het hof zal het verzoek van de moeder om een proceskostenveroordeling afwijzen.
5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 9 juli 2025 voor zover het de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder zo dat de kinderen bij de vader verblijven om de week van donderdag tot donderdag en de andere week bij de moeder van donderdag tot donderdag, waarbij de vader het halen en brengen op zich neemt;
bepaalt de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt:
  • Kerstvakantie: de kinderen verblijven in het even jaar de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de vader en de tweede week bij de moeder, inclusief Oud en Nieuw, in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week van de Kerstvakantie inclusief de Kerstdagen bij de moeder en de tweede week bij de vader, inclusief Oud en Nieuw;
  • Pasen: vanaf de donderdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Goede Vrijdag zijn de kinderen in het even jaar bij de vader en in het oneven jaar bij de moeder;
  • Hemelvaart: de kinderen zijn vanaf woensdagavond 19.00 uur voorafgaand aan Hemelvaart in het even jaar bij de moeder en het oneven jaar bij de vader;
  • Pinksteren: in het oneven jaar zijn de kinderen bij de vader en in het even jaar bij de moeder;
  • Vaderdag/Moederdag: de kinderen zijn het hele weekend bij de vader met Vaderdag en met Moederdag bij de moeder, hetgeen kan betekenen dat er een weekend geruild moet worden;
waarbij de vakantieregeling prevaleert boven de feestdagenregeling;
alle overige schoolvakanties worden bij helfte gedeeld,
  • waarbij de kinderen in de zomervakantie van 2026 en 2027 bij iedere ouder twee weken aaneengesloten verblijven;
  • vanaf 2028 zijn de kinderen in de zomervakanties drie weken aaneengesloten bij iedere ouder;
  • de kinderen in de oneven jaren in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijven en in de herfstvakantie bij de moeder en de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijven en in de herfstvakantie bij de vader;
waarbij de vader voor de mei- en zomervakanties per 1 december van het daaraan voorafgaande jaar de data aan de moeder communiceert;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.