Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1337

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/1821
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.18 Wet IB 2001Art. 6.19 lid 1 sub a Wet IB 2001Art. 6.20 lid 1 sub b Wet IB 2001Art. 6.27 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vermindering aanslag inkomstenbelasting 2019 na bezwaar en beroep

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) 2019, die was vastgesteld op een belastbaar inkomen van €21.698. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van €18.359.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het belastbare inkomen verder moest worden verminderd tot €1.351, onder meer door aftrek van resultaat uit overige werkzaamheden, alimentatie, specifieke zorgkosten en studiekosten. Tevens claimde hij starters- en zelfstandigenaftrek en alleenstaande ouderenkorting.

Het hof oordeelde dat het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht niet in aftrek was toegelaten omdat geen duurzame bron van inkomen aannemelijk was. De partneralimentatie werd vastgesteld op €758, hoger werd niet aannemelijk gemaakt. Specifieke zorgkosten en studiekosten werden eveneens niet verder erkend. De alleenstaande ouderenkorting gold niet voor 2019. Het hof verwierp ook het beroep op schending van het hoorrecht en andere klachten over de inspecteur.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank die de aanslag inkomstenbelasting 2019 heeft verminderd, wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 25/1821
23 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Y] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 3 juli 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/1973 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.698.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen voornoemde aanslag bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag ib/pvv gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2019 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit
werk en woning van € 18.359 en rekening houdend met de algemene
heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting;
- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar.”
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“1. Eiser is geboren op [datum] en is woonachtig op het adres [straat]
te [Y] .
2. Eiser ontvangt in 2019 maandelijks een AOW-uitkering en een pensioenuitkering.
3. Eiser heeft zijn aangifte ib/pvv 2019 ingediend op 31 augustus 2020. Eiser heeft als
loon uit vroegere dienstbetrekking een bedrag van € 21.698 aangegeven. Ook heeft eiser
opbrengsten uit overige werkzaamheden opgegeven. Als bruto-opbrengsten uit de
werkzaamheden heeft eiser een bedrag van € 32.375 vermeld en als totale kosten een bedrag
van € 37.763. Tevens heeft eiser in zijn aangifte een bedrag van € 7.500 aan alimentatie
opgegeven, een bedrag van € 4.462 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten en een bedrag
van € 3.147 aan studiekosten. Verder heeft eiser aangegeven dat hij recht heeft op
alleenstaande ouderenkorting.
4.Verweerder heeft conform de ingediende aangifte een voorlopige aanslag ib/pvv
opgelegd met een dagtekening van 16 oktober 2020. De teruggaaf is vastgesteld op € 1.382.
5. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag ib/pvv 2019 zijn er correcties
toegepast. Het resultaat uit overige werkzaamheden, de alimentatie, de zorgkosten en de
studiekosten zijn gecorrigeerd. Ook is de alleenstaande ouderenkorting gecorrigeerd. Het
inkomen uit werk en woning (box 1) is vastgesteld op € 21 .698 en de te betalen aanslag
bedraagt € 1.380. Aan eiser is geen aanslag inkomensafhankelijke bijdrage
Zorgverzekeringswet opgelegd..”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan.
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een hoorverslag waarin onder andere is vermeld:
“Verslag van het gesprek op 20 februari 2025 om 10 uur in het Belastingkantoor [Y]
Aanwezigen:
- de heer [X] : belanghebbende
- de heer [naam 1] : namens de Belastingdienst
- de heer [naam 2] : namens de Belastingdienst
Aanleiding
Het gesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaarschrift dat de
heer [X] heeft ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie
volksverzekeringen 2019 (hierna: de aanslag).
(…)”
2.4.
Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mail van belanghebbende van 11 maart 2025 aan de inspecteur met de aanhef “Hoorverslag 20.02.2025”:
“TER ATTENTIE VAN MR. [naam 2] ,
GEACHTE HEER [naam 2] ,
HERHALING STANDPUNT !!!
IN DE ZITTING VAN 28.12.2021 IN HET BIJZIJN VAN MRS. [naam 3]
+ MRS. [naam 4] [bedrijf 1] NEDERLAND
HEBBEN WLIDE TOEZEGGING VAN MR. [naam 5] & MRS. [naam 6] GEKREGEN DAT DE BEHANDELING VAN DE LOPENDE BEZWAREN FLEXIBEL + COULANT ZULLEN GESCHIEDEN.
*******************************************************************
DEEL IK U MEDE DAT 1K AKKOORD GA MET DE DOOR U OPGESTELDE HOORVERLAG MITS DE DOOR MIJ GEDANE OPMERKING(EN) OP DE DOOR U INGEDIENDE VERTOOGSCHRIFT ALSMEDE DE OPGEVOERDE AFTREKPOSTEN WORDEN GEHONOREERD.”
2.5.
Op 13 maart 2025 heeft de inspecteur de rechtbank als volgt geïnformeerd.
“In de procedure ten name van de heer [X] , i.v.m. de aanslag IB 2019, heeft de
rechtbank tijdens de zitting partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog een
hoorgesprek te houden. De zitting is geschorst en de zaak wordt aangehouden.
Op 20 februari jl. heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.
Van het gesprek is op 25 februari jl. een verslag gemaakt en dit is aan de heer
[X] per email en per post verstuurd.
Op 11 maart jl. heeft de heer [X] per email gereageerd op het verslag.
Het hoorverslag van 25 februari jl. en de reactie van de heer [X] van 11 maart jl.
heb ik als bijlage opgenomen.”

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de aanslag ib/pvv voor het jaar 2019 verder verminderd dient te worden.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen:
“Bron van inkomen
7. Eiser heeft een negatief resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Ter
zitting heeft eiser verklaard dat het geen resultaat uit overige werkzaamheden betreft, maar
winst uit onderneming. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit resultaat/deze
winst niet in aanmerking kan worden genomen, omdat geen sprake is van een bron van
inkomen. Voordat de rechtbank aan de vraag toekomt of er sprake is van winst uit
onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, dient de vraag te worden beantwoord
of er sprake is van een bron van inkomen.
8. De rechtbank overweegt dat sprake is van een bron van inkomen wanneer met de
desbetreffende activiteiten wordt deelgenomen aan het economische verkeer met de
bedoeling daarmee duurzaam voordeel te behalen en dit voordeel ook redelijkerwijs kan
worden verwacht. Uit de stukken komt naar voren dat het negatieve resultaat is behaald met
het reisbureau [bedrijf 2] . Naar verweerder onweersproken heeft gesteld was
het resultaat gedurende de jaren 2014 tot en met 2023 negatief. Op grond van al hetgeen
eiser heeft aangevoerd en uit de stukken naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat
redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat met de desbetreffende activiteiten duurzaam
positieve voordelen waren te behalen. Dat eiser door het - in 2015 afgegeven - negatieve
reisadvies naar [land] niet de omzet heeft kunnen draaien die hij voor ogen had, doet
hieraan niet af. Het advies bevestigt veeleer dat een voordeelsverwachting afwezig was. De
rechtbank is daarom van oordeel dat er geen sprake is van een bron van inkomen. Dit
betekent dat het door eiser aangegeven negatieve resultaat niet in aanmerking kan worden
genomen
.
9. Eiser heeft zich nog erop beroepen dat verweerder de aangiften ib/pvv voor de
jaren 2017 en 2018 op dit punt heeft gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich niet
met succes op het vertrouwensbeginsel kan beroepen. Hij heeft immers niet aannemelijk
gemaakt dat bij de aanslagregeling van die jaren uitdrukkelijk aan de orde is geweest of
sprake was van een bron van inkomen.
Alimentatie
10. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in 2009 in [land] echtscheiding heeft
aangevraagd. De ex-echtgenote heeft eiser in 2010 in [land] aangeklaagd voor alimentatie.
In 201 1 heeft hij zijn ex-echtgenote - naar eigen zeggen - weer “teruggenomen” op
aandringen van een [land] rechter en is de situatie feitelijk teruggedraaid. Hij is op
26 juni 201 1 opnieuw met haar in het huwelijk getreden. De ex-echtgenote is in 2012 samen
met de kinderen weer bij eiser gaan wonen. In 2019 moest de ex-echtgenote de woning, in
verband met een kort geding vonnis, verlaten. Dat heeft zij op 13 mei 2019 gedaan met
medeneming van het jongste kind. Eiser heeft dat kind zeven jaar niet gezien. De
ex-echtgenote heeft in een opvanghuis gewoond tot februari 2024, toen zij een woning
toegewezen kreeg. Eiser is op 29 november 2019 een echtscheidingsprocedure gestart. De
echtscheiding is uitgesproken op 9 november 2023. De ex-echtgenote is in 2019 een nieuwe
alimentatieprocedure gestart in [land] , waarbij zij het deed voorkomen dat zij in [land]
woonde, aldus nog steeds eiser.
11. Met betrekking tot de door hem overgelegde schriftelijke verklaring van zijn ex-
echtgenote over de door haar in 2019 per kas ontvangen maandelijkse bedragen heeft eiser
desgevraagd verklaard dat deze, in tegenstelling tot de vermelding in de verklaring zelf, in
2024 zal zijn ondertekend. De ex-echtgenote is immers pas in 2024 verhuisd naar het daarop
vermelde adres. Verder heeft eiser ter zitting verklaard dat de ex-echtgenote niet een
soortgelijke verklaring heeft verstrekt aan de [land] autoriteiten en dat eiser steeds als
hij naar [land] ging (en gaat), daar kort werd (en wordt) vastgehouden omdat hij
alimentatie moet betalen. Die betaalt hij vervolgens ook aan de vader van de ex-echtgenote
in het bijzijn van de politie.
12. Gelet op wat eiser heeft verklaard, houdt de rechtbank het ervoor dat eiser en zijn
inmiddels weer ex-echtgenote in ieder geval nog in 2019 met elkaar gehuwd waren. Dit
betekent dat zij op grond van de artikelen 1:80 en 1:84 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:
BW) verplicht waren elkaar te onderhouden. Eiser stelt echter dat zij duurzaam gescheiden
leefden en dat hij daarom - althans zo begrijpt de rechtbank zijn nadere standpunt - in 2019
een alimentatieverplichting jegens zijn ex-echtgenote had. Dat eiser en zijn ex-echtgenote in
ieder geval vanaf het begin van 2019 niet meer met elkaar op goede voet stonden, acht de
rechtbank aannemelijk gelet op wat eiser heeft gesteld over het indertijd gevoerde kort
geding, gevolgd door het vertrek uit de woning van de ex-echtgenote met hun jongste
dochter op 13 mei 2019. Daarbij acht de rechtbank aannemelijk hetgeen eiser naar voren
heeft gebracht over hun vertrek uit de woning gevolgd door hun verblijf in een opvanghuis.
Verweerder heeft weliswaar gesteld dat de ex-echtgenote het gehele jaar 2019 in de
Basisregistratie personen stond ingeschreven op het woonadres van eiser, maar de rechtbank
acht aannemelijk dat de ex-echtgenote - ondanks haar vertrek uit de echtelijke woning -
haar inschrijving niet heeft gewijzigd, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat
de jongste dochter sinds 13 mei 2019 haar briefadres bij de gemeente had.
13. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij, zijn ex-echtgenote en hun
jongste dochter tot 13 mei 2019 niet meer in gezinsverband met elkaar samenwoonden, zodat niet is komen vast te staan dat eiser en de ex-echtgenote tot 13 mei 2019 duurzaam
gescheiden leefden. Dat eiser door de handelwijze van de ex-echtgenote voor die periode
wel betalingen zou hebben gedaan onder het mom van de alimentatieverplichting volgend
uit een uitspraak van een [land] rechter uit 2010, doet daaraan niet af. Uit artikel 1:160
BW volgt immers dat die alimentatieverplichting eindigde toen eiser en de ex-echtgenote in
201 1 opnieuw met elkaar in het huwelijk traden.
14. Voor de periode vanaf 13 mei 2019, zijnde de ingangsdatum waarop de ex-
echtgenote langdurig in een opvanghuis verbleef, is de rechtbank echter van oordeel dat
eiser wel aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie waarin hij en zijn
ex-echtgenote duurzaam gescheiden leefden. Hierbij heeft de rechtbank mede acht geslagen
op de niet weersproken stelling van eiser dat hij in november 2019 de echtscheiding heeft
aangevraagd. Mede gelet op het (meer) subsidiaire standpunt van verweerder in zijn
verweerschrift en het feit dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij de verklaring van de
ex-echtgenote over de contant ontvangen bedragen voor waar aanneemt, heeft eiser recht op
aftrek van partneralimentatie van € 100 per maand. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat
hij een hoger bedrag aan partneralimentatie verschuldigd was. Het bedrag dat hij betaald
heeft in verband met de bijdrage in het levensonderhoud van zijn jongste dochter, komt niet
voor aftrek in aanmerking. De rechtbank stelt het bedrag dat in 2019 voor aftrek in
aanmerking komt daarom vast op € 758 (€ 58 voor de maand mei en € 100 voor elke
volgende maand).
Studiekosten en scholingsuitgaven
15. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 zijn scholingsuitgaven de uitgaven
voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie. In het hoorverslag
staat - en eiser heeft dit ter zitting bevestigd - dat de door eiser in aftrek gebrachte
scholingskosten niet zien op scholingskosten van eiser zelf, maar op kosten in verband met
de studies van zijn kinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de
scholingskosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten.
Specifieke zorgkosten
16. Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv 2019 een bedrag van € 4.462 in aftrek gebracht
voor specifieke zorgkosten. Dit bedrag is volgens eiser opgebouwd uit tandartskosten,
zorgverzekeringskosten, medicijnen die eiser heeft gekocht in Nederland en [land] ,
dieetkosten en extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Eiser heeft ter onderbouwing
van de door hem geclaimde tandartskosten een aanmaning overgelegd waarin enkel een
notabedrag staat vermeld. Hij heeft echter niet de betreffende facturen overgelegd. Uit deze
aanmaning is niet af te leiden of de daarin vermelde bedragen zien op het jaar 2019. Deze
kosten komen dan ook niet voor aftrek in aanmerking. Dit geldt ook voor het bedrag van
€ 408,16, dat is betaald aan ‘ [bedrijf 3] ’. De rechtbank kan uit dit stuk niet opmaken
wat voor kosten dit zijn. Voorts merkt de rechtbank op dat de incassokosten van € 40 op de
aanmaning niet voor aftrek van specifieke zorgkosten in aanmerking komen; dit zijn
namelijk kosten die zien op de inning en niet op de zorgkosten zelf. De premie die eiser
heeft betaald voor zijn zorgverzekering is evenmin aftrekbaar. Dit volgt uit artikel 6.18 van
de Wet 1B 2001 De kosten voor de aanschaf van hulpmiddelen ter ondersteuning van het
gezichtsvermogen zijn sinds 2009 niet meer aftrekbaar, reeds daarom heeft verweerder
terecht de kosten die eiser heeft gemaakt voor de aanschaf van een bril niet in aanmerking
genomen. De medicijnkosten die eiser in [land] zou hebben gemaakt, zijn ook niet
aftrekbaar, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze medicijnen door een arts
zijn voorgeschreven. Eiser heeft gesteld in Nederland medicijnkosten ten bedrage van € 17,75 te hebben gemaakt. Hiervan komt uitsluitend een bedrag van € 11,75 voor aftrek in
aanmerking. Dit bedrag is vermeld op de door eiser overgelegde factuur van een apotheek
van 17 juli 2019. Uit die factuur kan worden afgeleid dat het middel is verstrekt op
voorschrift van de huisarts. Van andere Nederlandse medicijnkosten heeft eiser geen bewijs
geleverd.
17. Met betrekking tot de door eiser geclaimde extra kosten van een op medisch
voorschrift gehouden dieet overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft
verklaard zich voor dit jaar niet langer op het standpunt te stellen dat eiser daarvoor niet in
aanmerking komt. Dit betekent dat eiser daarvoor een bedrag van € 900 in aanmerking mag
nemen.
18. Eiser heeft ter zitting toegelicht waarom hij kosten voor extra kleding en
beddengoed (€ 300) heeft aangegeven. Deze kosten en de toelichting zijn door verweerder
niet betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ook deze kosten ten
onrechte niet in aanmerking heeft genomen.
19. De in aanmerking te nemen specifieke zorgkosten van eiser bedragen dus
€1.21 1,75. Voor zover eiser stelt dat hij recht heeft op aftrek van alle door geclaimde
zorgkosten, omdat verweerder in voorgaande jaren alle geclaimde zorgkosten in aftrek heeft
gelaten, volgt de rechtbank eiser daarin niet. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13
december 1989 (ECLI:NL:HR:1989:ZC4179) beslist dat de enkele omstandigheid dat de
inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de
aangifte heeft gevolgd, niet voldoende is om te kunnen spreken van gewekt vertrouwen. De
gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig
in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de
indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren
betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste
standpuntbepaling. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat
er sprake zou zijn van een bewuste standpuntbepaling. Daarbij merkt de rechtbank op dat
zorgkosten ieder jaar (kunnen) verschillen, waardoor er geen vertrouwen kan worden
ontleend aan het feit dat in eerdere jaren (volledige) aftrek wel is gehonoreerd. Overigens
heeft verweerder ter zitting betwist dat in de jaren 2010 tot en met 2016 alle door eiser
geclaimde zorgkosten in aftrek zijn toegelaten. Gelet op het voorgaande stond het
verweerder dan ook vrij eiser kostenaftrek te onthouden, voor zover eiser geen bewijs
daarvan heeft geleverd dan wel de betreffende kosten niet zijn aan te merken als specifieke
zorgkosten in de zin van de Wet IB 2001.
20. Aangezien eiser in 2019 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt het
bedrag aan specifieke zorgkosten verhoogd met 113% op grond van artikel 6.19, lid 1, sub
a, van de Wet 1B 2001 . Het totaalbedrag aan specifieke zorgkosten komt daarmee uit op een
bedrag van € 2.581 . In artikel 6.20, lid 1, sub b, van de Wet 1B 2001 is bepaald dat indien
het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 7.739 te boven
gaat, maar€ 41.107 niet te boven gaat, de drempel 1,65% van het verzamelinkomen
bedraagt. Het verzamelinkomen bedraagt € 21.698 minus de alimentatie (die in
rechtsoverweging 14 is vastgesteld) van € 758. Dit betekent dat het drempelbedrag € 345,51
bedraagt. De rechtbank is daarom van oordeel dat, anders dan verweerder stelt, eiser wel
boven de drempel uitkomt en dat € 2.236 wel aftrekbaar is (€ 2.58 1 minus € 345,5 1).
De alleenstaande ouderenkorting
21. Op grond van artikel 8.18, lid 1, van de Wet IB 2001 geldt de alleenstaande
ouderenkorting voor de belastingplichtige die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering
als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Uit dit
artikelonderdeel volgt dat het moet gaan om een ongehuwde pensioengerechtigde. In artikel
1, lid 3, onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwde mede wordt aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Zoals de rechtbank in
rechtsoverweging 14 heeft overwogen, heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij en zijn
ex-partner sinds 13 mei 2019 duurzaam gescheiden leefden. Dit betekent dus dat eiser in het
kalenderjaar 2019 in aanmerking kwam voor een AOW-uitkering voor ongehuwden. Het
vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting. Voor
de toekenning van de alleenstaande ouderenkorting is niet vereist dat eiser ook
daadwerkelijk een AOW-uitkering voor ongehuwden heeft aangevraagd en ontvangen
(vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21-07-2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2476).
Schending hoorrecht
22. Tijdens de zitting van 11 februari 2025 is komen vast te staan dat verweerder het
hoorrecht had geschonden. De rechtbank heeft partijen daarop in de gelegenheid gesteld
alsnog een hoorgesprek te laten plaatsvinden.
Slotsom
23. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het
belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 18.359 en de
aanslag ib/pvv 2019 en de beschikking belastingrente dienen dienovereenkomstig
verminderd te worden.
Proceskosten en griffierecht
24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt omdat
hij zich door twee advocaten heeft laten bijstaan in gesprekken met de Belastingdienst. Die
gesprekken waren volgens eiser nodig om de diverse procedures weer goed op gang te
krijgen. Voor die bijstand heeft eiser in november 2021 een factuur ontvangen van € 2.000.
Kosten voor juridische rechtsbijstand komen enkel in aanmerking voor vergoeding indien
deze rechtsbijstand is verleend in het kader van het geschil dat bij de rechtbank voorligt. Uit
de declaratie die eiser heeft overgelegd, blijkt niet dat de kosten zien op werkzaamheden in
verband met het onderhavige geschil. De rechtbank is daarom van oordeel dat de
advocaatkosten die eiser heeft gemaakt, niet door verweerder aan eiser vergoed hoeven te
worden. Nu eiser geen griffierecht heeft betaald, bestaat er evenmin aanleiding verweerder
te veroordelen tot vergoeding daarvan.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Hoorgesprek
5.1.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat, in weerwil van hetgeen in de rechtbankuitspraak onder het procesverloop is opgenomen, te weten dat op 20 februari 2025 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden, er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden over de voorliggende aanslag; daarom wil hij dat de zaak wordt teruggewezen naar de inspecteur. De inspecteur heeft verklaard dat wel een hoorgesprek op 20 februari 2025 heeft plaatsgevonden.
Nu uit de stukken van het geding (zie 2.3 tot en met 2.5) onmiskenbaar volgt dat op
20 februari 2025 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden slaagt deze klacht van belanghebbende niet.
Hoogte inkomen
5. 2. Belanghebbende betoogt voorts in hoger beroep dat het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 verder moet worden verminderd tot op € 1.351.
Hij heeft daartoe de volgende opstelling gemaakt:
“VASTGESTELDE INKOMEN UIT WERK & WONING EUR 18.359
AF: RESULTAAT UIT OVERIGE WERKZAAMHEDEN --- 5.388
BETAALDE ALIMENTATIE AAN EX-PARTNER 7.500 -/- 758 --- 6.742
SPECIFIEKE ZORGKOSTEN 4.562 -/- 2.581 --- 1.981
STUDIE'S / SCHOLINGSUITGAVEN
--- 2.897
BELASTBAAR INKOMEN MOET ZIJN EUR. 1.351”
Ook claimt belanghebbende (alsnog) starters- en zelfstandigenaftrek en “alleenstaande ouder (en) korting”.
Alimentatie
5.3.1.
De alimentatie die belanghebbende op grond van een uitspraak van [de instantie] in [land] aan [naam 7] moest betalen voorziet in zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. Belanghebbende heeft volgens de rechtbank aannemelijk gemaakt dat er voor de periode vanaf 13 mei 2019 sprake is van een situatie waarin belanghebbende en zijn ex-echtgenote duurzaam gescheiden leefden en dat vanaf dat moment recht op aftrek van partneralimentatie van € 100 per maand bestaat. Een hoger bedrag aan partneralimentatie acht de rechtbank niet aannemelijk (alsdan bestaat in 2019 recht op aftrek voor een bedrag van € 758, te weten € 58 voor de maand mei en € 100 voor elke volgende maand).
5.3.2.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan alimentatie dan door de rechtbank is vastgesteld (zie 5.2).
De inspecteur is het eens met het oordeel van de rechtbank.
5.3.3.
Nu de inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld buigt het Hof zich niet over het oordeel van de rechtbank inzake het door haar in aftrek toegestane bedrag van partneralimentatie, doch alleen over het resterende (niet door de rechtbank in aftrek toegestane) bedrag aan gestelde partneralimentatie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ter zake geen aftrek toekomt nu door belanghebbende (op wie de bewijslast rust) ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat het hier om een (aftrekbaar) bedrag aan partneralimentatie gaat. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep hieromtrent heeft aangevoerd werpt geen nieuw of ander licht op deze uitkomst.
Resultaat uit overige werkzaamheden
5.4.
.Ook in hoger beroep is met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en uit de stukken naar voren komt niet aannemelijk geworden dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat door belanghebbende duurzaam positieve voordelen waren te behalen ter zake van zijn activiteiten voor het reisbureau, [bedrijf 4] . De inspecteur heeft er daarnaast in hoger beroep nog op gewezen dat vanaf de start van de activiteiten in 2014 tot en met het jaar 2024 de resultaten negatief zijn. Ook het Hof is van oordeel dat het in de aangifte in aanmerking genomen negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht niet in aftrek is toegelaten. Alsdan komt belanghebbende reeds om die reden niet in aanmerking voor de door hem -alsnog- geclaimde zelfstandigen– en startersaftrek. Voorts komt belanghebbende, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (rechtsoverweging 9), op dit punt geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toe.
De alleenstaande ouderenkorting en de alleenstaande ouderkorting
5.5.
De rechtbank heeft al terecht overwogen (rechtsoverweging 21) dat belanghebbende recht heeft op de alleenstaande ouderenkorting.
Nu de alleenstaande ouderkorting gold tot en met het jaar 2014 heeft belanghebbende voor het jaar 2019 hier geen recht op.
Specifiek zorgkosten
5.6.
Belanghebbende heeft in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan specifieke zorgkosten in aanmerking dient te worden genomen. Het Hof merkt op dat hetgeen in belanghebbende in hoger beroep aanvoert geen nieuw of ander licht op dit punt werpt.
Studiekosten en scholingsuitgaven
5.7.
Ook in hoger beroep heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte kosten scholingsuitgaven voor het door een belastingplichtige volgen van een opleiding of studie in de zin artikel 6.27 van de Wet IB 2001 betreffen. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende opgevoerde kosten (voor het volgen van een opleiding door de twee oudste kinderen aan een privéschool in [land] ) terecht door de inspecteur niet in aftrek zijn toegelaten.
Overig
5.8.
Belanghebbende heeft nog – samengevat – aangevoerd dat bij het opleggen van de aanslag en de behandeling van het bezwaar sprake is geweest van onzorgvuldigheid, partijdigheid en grensoverschrijdend gedrag van de inspecteur met als doel belanghebbende zijn rechten te ontnemen en ter bescherming van belastingambtenaren die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan criminele activiteiten. Daarvan is echter niets gebleken.
5.9.
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat zijn “proceskosten wegens inschakeling twee advocaten” hadden moeten worden vergoed. Uit de gedingstukken volgt niet dat belanghebbende voor de voorliggende zaak kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. Belanghebbende stelt zelf de gedingstukken op en verschijnt in persoon ter zitting. Voorts valt de tot de gedingstukken behorende nota van [bedrijf 1] van 2 november 2021 zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te koppelen aan de voorliggende zaak. Het bestaan van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is (ook anderszins) niet aannemelijk gemaakt.
5.10.
Al hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot een andere conclusie.
Slotsom
5.11.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.

6.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en
J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: