Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1338

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/780
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 234 GemeentewetArt. 20 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:108 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens parkeren na maximale aanmeldperiode

Belanghebbende parkeerde zijn auto op 15 juni 2023 op een locatie waar de maximale aanmeldduur voor parkeren één uur bedroeg. Hij betaalde parkeerbelasting voor dat eerste uur via een parkeerapplicatie, maar parkeerde tot ten minste 18:55 uur, tien minuten langer dan betaald.

De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op omdat na het eerste uur geen nieuwe betaling was gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de parkeerbelasting telkens met een uur verlengd kon worden en dat betaling technisch mogelijk was.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de wet en de gemeentelijke verordening bepalen dat de belasting alleen bij aanvang van het parkeren op aangifte kan worden voldaan, waardoor betaling na het eerste uur niet mogelijk is. Het hof volgde dit standpunt en oordeelde dat de naheffingsaanslag daarom onterecht was opgelegd en vernietigde deze.

Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tevens tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan belanghebbende, met wettelijke rente over deze bedragen vanaf vier weken na de uitspraak tot volledige betaling.

De uitspraak benadrukt dat parkeerbelasting uitsluitend kan worden geheven op basis van wettelijke grondslag en dat technische mogelijkheden tot betaling niet afdoen aan de wettelijke beperkingen.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd omdat betaling alleen bij aanvang van het parkeren op aangifte kan plaatsvinden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/780
23 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
tegen de uitspraak van 20 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/6240 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 juli 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 maart 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft zijn auto, met kenteken [#] , merk [naam] (hierna: de auto), op 15 juni 2023 omstreeks 17:45 uur geparkeerd in een parkeervak (hierna: de parkeerplaats) op het [plaats 1] te [Z] (het parkeren). Deze locatie is door het college van burgemeesters en wethouders van [Z] aangewezen als gebied waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. De gemeente [Z] had de maximale aanmeldduur voor het parkeren op het [plaats 1] tot een uur beperkt en ook bij de aanwezige parkeerapparatuur kon slechts een kaartje voor maximaal een uur worden gekocht. Na een uur kon een kenteken opnieuw worden aangemeld en ook kon een nieuw parkeerkaartje worden gekocht.
2.2.
Belanghebbende heeft bij de aanvang van het parkeren parkeerbelasting voldaan op aangifte door middel van het aanmelden van het kenteken van de auto via een parkeerapplicatie op zijn telefoon. Hij heeft het kenteken van de auto daarbij aangemeld voor de (op dat moment) maximale aanmeldperiode van een uur, van 17:45 uur tot en met 18:45 uur. De auto stond echter tot ten minste 18:55 uur op de parkeerplaats geparkeerd. De parkeercontroleur heeft door middel van een controle met een scanauto geconstateerd dat de auto om 18:55 uur op 15 juni 2023 nog immer op de parkeerplaats stond. Omdat voor dat tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan heeft hij de naheffingsaanslag opgelegd.
2.3.
In de Verordening Parkeerbelastingen 2023 van de gemeente [Z] is onder andere het volgende bepaald:

Artikel 2 Belastbaar Pro feit
Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting over het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel volgens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
(…)
Artikel 5 Maatstaf Pro van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak
De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 6 Ontstaan Pro van de belastingschuld
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.
(…)
Artikel 8 Wijze Pro van heffing en termijn van betaling
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven:
a. bij wege van voldoening op aangifte, door bij aanvang van het parkeren op elektronische wijze te betalen door inwerkingstelling van parkeerapparatuur;
b. of bij wege van nota;
c. of dat bij de aanvang van het parkeren telefonisch of elektronisch aangifte is gedaan via de centrale computer van een van de mobiele parkeeraanbieders van de gemeente;
(…)”
2.4.
In het Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit Parkeren 2023 van de gemeente [Z] (hierna: het Aanwijzingsbesluit 2023”) is onder andere het volgende bepaald:

Hoofdstuk 2 Betaald Parkeren
2.1
Aanwijzing wegen en weggedeelten betaald parkeren
Het college wijst de navolgende wegen en/of gedeelten van wegen aan als gebied met parkeerapparatuurplaatsen waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting op de navolgende tijdstippen een motorvoertuig mag worden geparkeerd.
2.1.1
Weg en/of gedeelten van wegen met een parkeerduur van twee uren, met de mogelijkheid de parkeerduur telkens te verlengen met twee uren:
1. het [plaats 2] , aan beide zijden tussen [plaats 3] en [plaats 4] ;
2. (…)
(…)
2.1.2
Weg en/of gedeelten van wegen met een parkeerduur van één uur, met de mogelijkheid de parkeerduur telkens te verlengen met één uur:
15. [plaats 1] , aan de Noordzijde van de kerk;
16. [plaats 1] , aan de Zuidzijde van de kerk;
2.1.3
Weg en/of gedeelten van wegen zonder maximale parkeerduur
17. (…)”

3.Geschil

Ook in hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“8. Artikel 225, aanhef en eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
9. In dit geval hebben burgemeester en wethouders van [Z] krachtens de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 bepaald dat aan het [plaats 1] tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd voor een maximale parkeerduur van één uur, met de mogelijkheid de parkeerduur telkens te verlengen met één uur.
10. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Anders dan in het arrest waar eiser naar verwijst, geldt in de gemeente [Z] voor de locatie aan het [plaats 1] geen maximale totale parkeerduur van één uur, maar kan er telkens voor maximaal één uur worden betaald. Anders dan in het arrest, was eiser in de onderhavige situatie daarom wel gehouden voor het parkeren na het eerste uur parkeren opnieuw parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Dit was technisch en juridisch ook mogelijk. Nu eiser na afloop van het eerste uur geen parkeerbelasting heeft voldaan terwijl de auto ook nog geparkeerd stond op een plek waar op dat moment alleen tegen betaling mocht worden geparkeerd, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.”

5. Beoordeling van het geschil

5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij voert daartoe aan dat op het [plaats 1] sprake is van een maximaal toegestane parkeerduur van een uur. Voor de duur van een uur heeft belanghebbende de belasting ook voldaan (zie 2.2). Daarna mocht hij de auto daar niet langer parkeren en was hij ook niet gehouden voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen (zie HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:346, r.o. 3.2.3 en 3.2.4). De verlengingsmogelijkheid waar de heffingsambtenaar op wijst noemt belanghebbende enkel ’cosmetisch’. Daarmee bedoelt hij dat de schijn weliswaar wordt gewekt dat ook na ommekomst van het eerste uur na de aanvang van het parkeren belasting voldaan kan worden en dat betaling ook technisch wel mogelijk is, maar dat het volgens de Verordening uitsluitend bij de aanvang van het parkeren mogelijk is om belasting op aangifte te voldoen. Dat betekent dat dit niet kan een uur na de aanvang van het parkeren. Vanwege de onmogelijkheid belasting voor de periode na het eerste uur op aangifte te voldoen is ook naheffing daarvan niet mogelijk. De conclusie moet dan ook zijn dat de juridische grondslag voor de naheffingsaanslag ontbreekt en deze dient te worden vernietigd, aldus nog steeds belanghebbende.
5.2.
De heffingsambtenaar meent daartegenover dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens hem geldt geen maximale parkeerduur. De parkeerbelasting kan weliswaar steeds slechts voor een uur worden voldaan, maar kan vervolgens na ommekomst van dat uur steeds (en onbeperkt) met een uur worden verlengd. In de regelgeving (artikel 2.1.2 van het Aanwijzingsbesluit 2023) is de mogelijkheid van de verlenging met een uur ook opgenomen en voldoening is ook technisch mogelijk. Een parkeerder kan daartoe simpelweg (opnieuw) een parkeerkaartje kopen bij het parkeerapparaat tegen betaling van de verschuldigde belasting, of hij kan het kenteken van de auto (opnieuw) aanmelden via een parkeerapplicatie van zijn mobiele telefoon. Belanghebbende heeft dit allebei nagelaten en is daarom tekortgeschoten in zijn verplichting de belasting op aangifte te voldoen. Daarom is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, aldus de heffingsambtenaar.
5.3.
Het Hof volgt belanghebbende in zijn betoog dat hij de belasting voor de periode na het eerste uur na de aanvang van het parkeren niet op aangifte kon voldoen en overweegt hiertoe als volgt.
5.4.
De wettelijke basis voor het heffen van parkeerbelasting is gegeven in artikel 225, lid 1, aanhef en onder a, de Gemeentewet. Artikel 234 van Pro die wet geeft daarbij regels voor de heffing van die belasting en luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:
a. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;
(…)”
De heffing “op andere wijze” (de Verordening opent de heffing bij wege van nota, zie 2.3) is in de onderhavige zaak niet van belang. Zowel op basis van de Gemeentewet als op basis van de Verordening kan de parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren op het [plaats 1] uitsluitend geheven worden door voldoening op aangifte bij de aanvang van dat parkeren.
5.5.
Belanghebbende heeft de belasting verschuldigd voor het eerste uur bij de aanvang van het parkeren op aangifte voldaan (zie 2.2). Het voldoen van belasting voor opvolgende tijdvakken was vervolgens voor hem niet mogelijk. De door de gemeente aangebrachte beperking (zie 2.1) belette hem dat bij de aanvang van het parkeren en gedurende het eerste uur daarna te doen. Na dat eerste uur wordt de voldoening op aangifte belet door de eis die de wet daaraan stelt, namelijk dat dit reeds bij aanvang van het parkeren dient te gebeuren. De onmogelijkheid om belasting te voldoen maakt naar ’s Hofs oordeel dat belanghebbende daartoe ook niet gehouden was. Dat betaling technisch mogelijk was doet aan het voorgaande niet af. Parkeerbelasting mag immers enkel uit kracht van wet geheven worden en de wettelijke basis ontbreekt voor de door de heffingsambtenaar voorgestane heffingswijze.
5.6.
Dat belanghebbende niet gehouden kan worden bedoelde parkeerbelasting op aangifte te voldoen brengt, gelet op het bepaalde in artikel 20, lid 1, AWR, mee dat daarvan ook geen naheffing mogelijk is.
Slotsom
5.7.
Het gelijk is aan belanghebbende, het hoger beroep is dus gegrond. De naheffingsaanslag is ten onrechte opgelegd en dient te worden vernietigd.

6.Kosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.
Het Hof stelt de kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast met inachtneming van een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak. Dit leidt tot een kostenvergoeding:
  • voor bezwaar van 0,5 x € 1.332 (2 punten – bezwaarschrift en hoorzitting – met een waarde per punt van € 666)= € 666;
  • voor beroep op 0,5 x € 1.868 (2 punten – beroepschrift en zitting – met een puntwaarde van € 934) = € 934; en
  • voor het hoger beroepen op 0,5 x € 1.868 (2 punten – hoger beroepschrift en zitting – met een puntwaarde van € 934) = € 934
Het totaal van de (proces)kostenvergoeding is daarmee € 2.534.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.534;
  • gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het instellen van beroep
  • draagt de heffingsambtenaar op de wettelijke rente te vergoeden over de door het Hof gelaste vergoeding van proceskosten en griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot op de dag van algehele voldoening.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: